Op 5 januari 2022 is een bevel tot gevangenhouding verleend aan de verdachte. De officier van justitie heeft om verlenging van dit bevel gevraagd. De rechtbank heeft het strafdossier bestudeerd en zowel de officier van justitie, verdachte als diens raadsvrouw gehoord.
De verdenking betreft een ernstige vorm van belaging, waaronder het tweemaal door de brievenbus gooien van knalvuurwerk en vernieling van eigendommen van de aangeefster en haar familie. De rechtbank stelt vast dat de ernstige bezwaren en de wettelijke gronden voor gevangenhouding nog steeds aanwezig zijn.
De rechtbank oordeelt dat het strafvorderlijk belang zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de verdachte bij invrijheidstelling. Er is geen situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering die schorsing rechtvaardigt. Daarom wordt het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen en wordt de gevangenhouding met zestig dagen verlengd.