Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
Strafrecht),
2012 (map 45, F.01.02.024-005, p. 1 en 2) en/of
2012 (map 45, F.01.02.024-006, p. 1 en 2),
De formele voorvragen.
Trial by media: Er is geen sprake meer van een eerlijk proces doordat iedereen, waaronder getuigen, zijn beïnvloed door de berichtgeving in de media. Niet alleen is een persbericht gedeeld, maar er is ook onderzoeksinformatie gedeeld met de media, waaronder informatie die niet bij de verdediging bekend was.
Het gelijkheidsbeginsel: Er is met twee maten gemeten als het gaat om de afdoening van de zaken van verschillende verdachten. De strafzaak tegen [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) is buitengerechtelijk afgedaan, terwijl hij de accountant was van [medeverdachte 3] en dus bij uitstek degene was die zicht had op de handel en wandel van [medeverdachte 3] . Daarnaast zijn meerdere personen en ondernemingen die een rol hadden in het geheel niet vervolgd, zoals de ex-vrouw van [medeverdachte 3] , [persoon 9] , [persoon 10] (hierna: [persoon 10] ), [persoon 11] , enkele andere personen en buitenlandse (in Duitsland gevestigde) ondernemingen. Het gelijkheidsbeginsel is hiermee geschonden.
Overschrijding van de redelijke termijn: Onderhavige procedure loopt al zes jaar. Deze ernstige overschrijding van de redelijke termijn is slechts te wijten aan het optreden van het OM en heeft tot gevolg dat het verdedigingsbelang is geschonden, waarbij ook de waarheidsvinding een belangrijke rol speelt. [medeverdachte 3] kan hierdoor niet meer gehoord worden in verband met zijn overlijden. Hij zou op zitting openheid van zaken geven en hij heeft [medeverdachte 1] beloofd om de volledige schuld op zich te nemen. Het is voorts de vraag of het na zes jaar nog zinvol is om getuigen of andere betrokkenen te horen.
De aard van de strafbare feiten: In een proces-verbaal van de FIOD/Belastingdienst (p. 9934 van het dossier) staat beschreven dat uit het geldstromenonderzoek blijkt dat sprake is geweest van duizenden financiële transacties in de onderzoeksperiode en dat door het fragmenteren van de totale organisatie door [medeverdachte 3] een goed inzicht voor medewerkers, maar ook voor de overheid, onmogelijk werd gemaakt. Onder die omstandigheden begrijpt de verdediging niet waarom er door het OM voor gekozen is om verdachte te vervolgen.
Trial by media: Er kan niet gesproken worden over een trial by media. Daartoe is relevant dat door het OM één enkel persbericht naar buiten is gebracht dat bewust vaag en beperkt qua inhoud is gehouden. De hoeveelheid media-aandacht die vervolgens is ontstaan, kan niet worden gekoppeld aan genoemd persbericht. Los daarvan is dit ook geen reden om niet tot strafvervolging over te gaan
Het gelijkheidsbeginsel: Het OM heeft de keuzevrijheid om te bepalen wie wordt vervolgd en wie niet. De verdachten die gezien kunnen worden als de “vertrouwelingen” van [medeverdachte 3] zijn/worden vervolgd, anderen niet. Voorts heeft het OM zich beperkt tot de Nederlandse BV’s en stichtingen. Ten aanzien van [medeverdachte 4] geldt dat zijn zaak buitengerechtelijk is afgedaan met een taakstraf voor de duur van 120 uren. Deze wijze van afdoening is gekozen vanwege de persoonlijke omstandigheden van [medeverdachte 4] , zoals die blijken uit zijn laatste verklaring bij de politie.
Overschrijding van de redelijke termijn: Het onderzoek is niet gehinderd door het tijdsverloop. Verdachten en getuigen zijn in een vroeg stadium uitvoerig gehoord en er liggen tal van verklaringen. Dat nu gezegd wordt dat [medeverdachte 3] de schuld op zich zou nemen doet er niet aan af dat ten aanzien van de onderhavige verdachte voldoende objectief bewijsmateriaal aanwezig is.
De aard van de strafbare feiten: Kijkend naar het dossier kan geconcludeerd worden dat deze verdachte voldoende inzicht had in het systeem van wegsluizen van geldbedragen. Gelet op de omvang van de zaak en de hoeveelheid geld die ermee gemoeid is, zijn de onderliggende feiten nog steeds strafwaardig en dient de meervoudige kamer over deze feiten te beslissen.
Trial by media: Het is de rechtbank niet ontgaan dat dit strafrechtelijk onderzoek, onder de naam Gitaar, media-aandacht heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen inherent aan het (straf)recht dat zaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. Het is daarom aanvaardbaar dat het OM ook het publiek informeert over strafrechtelijke onderzoeken. Te allen tijde geldt echter dat degene tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
Het gelijkheidsbeginsel: De rechtbank stelt voorop dat het OM een ruime bevoegdheid heeft als het gaat om de keuze om bepaalde personen wel of niet te vervolgen. Het OM heeft op de terechtzittingen van 28 en 29 maart 2022 toegelicht waarom bepaalde personen worden/zijn vervolgd en anderen niet, en heeft uitgelegd waarom de strafzaak tegen [medeverdachte 4] buitengerechtelijk is afgedaan. De rechtbank acht die toelichting op de beredeneerde keuzes van het OM niet onbegrijpelijk, zodat geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Overschrijding van de redelijke termijn: De rechtbank ziet, net als de verdediging en het OM, dat de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is de enkele overschrijding van de redelijke termijn onvoldoende om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Andere omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd, brengen de rechtbank niet tot het oordeel dat het OM desalniettemin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De aard van de strafbare feiten:De vraag of onderhavige verdachten voldoende inzicht konden hebben / hadden in het totale systeem van verhullen van geldbedragen is een bewijsvraag en past niet in de sleutel van de niet-ontvankelijkheid van het OM.
Beoordeling.
De bewijsmiddelen
Bijzondere overwegingen over het bewijs
€ 16.987.052,-, via diverse constructies bij [rechtspersoon 1] (een bedrag van € 8.678.018,-) en [rechtspersoon 2] (een bedrag van € 8.309.034,-) terecht. Vanuit die bedrijven ging een groot deel van het geld vervolgens op verschillende manieren naar [medeverdachte 3] en zijn naasten in de privésfeer. Daarnaast ontving [medeverdachte 3] rechtstreeks van [rechtspersoon 4] en [rechtspersoon 3] een bedrag van in totaal
€ 692.862,- (een bedrag van € 504.352,- van [rechtspersoon 4] en een bedrag van € 188.510,- van [rechtspersoon 3] ). Slechts een klein deel van het opgehaalde bedrag, namelijk € 2.306.134,- (en daarmee nog geen 7%) werd door de stichtingen daadwerkelijk aan externe goede doelen voor (voornamelijk) dierenwelzijn besteed.