Uitspraak
[A],
[C],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 24 februari 2021;
- de akte overlegging productie van 8 februari 2022 van de moeder;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 8 februari 2022.
Rechtbank Oost-Brabant
De moeder had in 2014 een schenking van €100.000 gedaan aan haar zoon onder de voorwaarde dat het bedrag binnen drie jaar zou worden besteed aan woningverbetering. De zoon voldeed aan deze voorwaarde, maar overleed in 2016. Na afwikkeling van de nalatenschap vorderde de moeder in 2019 terugbetaling van het geschonken bedrag van de echtgenote en kinderen van de overledene, die de nalatenschap beneficiair hadden aanvaard.
De echtgenote en kinderen voerden aan dat het herroepingsrecht van de moeder eindigde bij het overlijden van de begiftigde en dat het beroep op het herroepingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De rechtbank oordeelde dat het herroepingsrecht in beginsel mogelijk is en dat de rechtsopvolgers in de nalatenschap in de rechten van de overledene zijn getreden, waaronder het herroepingsrecht.
De rechtbank vond echter dat het herroepingsrecht niet kan worden ingeroepen om familieruzies te beslechten, zeker niet wanneer het geschonken bedrag al is besteed aan woningverbetering en niet meer in liquide vorm aanwezig is. Ook was het onduidelijk voor de ontvangers wanneer terugbetaling zou moeten plaatsvinden. Daarom werd de vordering tot terugbetaling afgewezen en werden de nevenvorderingen eveneens afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van het geschonken bedrag wordt afgewezen wegens onaanvaardbaarheid van het herroepingsrecht na overlijden begiftigde.