De zaak betreft een geschil tussen de gezinsvoogdij (GI) en de moeder over het opvoedperspectief van twee minderjarige kinderen die sinds 2020 niet meer bij hun moeder wonen vanwege haar problematische alcoholverslaving.
De GI verzoekt op grond van artikel 1:262b BW om een beslissing te nemen dat de kinderen niet meer bij hun ouders zullen opgroeien, omdat de aanvaardbare termijn voor terugkeer verstreken is en de kinderen behoefte hebben aan duidelijkheid. De moeder betwist dit en vraagt om meer tijd vanwege haar lopende intensieve behandeling en de hardnekkigheid van haar verslaving.
De rechtbank verklaart de GI ontvankelijk en oordeelt dat het belang van de kinderen voorop staat. Gezien de langdurige uithuisplaatsing, het terugkerende patroon van verslaving en het ontbreken van een concreet perspectief op terugkeer, kan niet langer op de moeder worden gewacht. Ook de vader is geen optie vanwege zijn afwezigheid.
De rechtbank wijst het verzoek van de GI toe en bepaalt dat de kinderen niet meer bij hun ouders zullen opgroeien. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt het belang van het behoud van de relatie tussen de kinderen en hun moeder via de pleegouders.