ECLI:NL:RBOBR:2022:1806

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2022
Publicatiedatum
4 mei 2022
Zaaknummer
21/1453
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 19 ZWArt. 29 ZWArt. 46 ZW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op Ziektewet-uitkering wegens ziek uit dienst gaan

De zaak betreft een beroep tegen een besluit van het UWV waarin een Ziektewet-uitkering is toegekend aan een werknemer die ziek uit dienst is gegaan. Het dienstverband eindigde op 30 juni 2020 en de werknemer was op dat moment ongeschikt om arbeid te verrichten wegens ziekte. Het UWV kende daarom terecht een ZW-uitkering toe op grond van artikel 29 ZW Pro.

Het bestreden besluit vermeldde ten onrechte dat de uitkering werd toegekend vanwege nawerking zoals bedoeld in artikel 46 ZW Pro. De rechtbank oordeelde dat dit een onjuiste wettelijke grondslag en onvoldoende motivering betrof. Echter, op grond van artikel 6:22 Awb Pro werd dit gebrek gepasseerd omdat het UWV in het verweerschrift het juiste standpunt had ingenomen en eiseres hierop had kunnen reageren, waardoor geen sprake was van benadeling.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan eiseres moest vergoeden. Er waren geen overige proceskosten vastgesteld. De uitspraak werd gedaan op 4 mei 2022 door rechter A.F. Vink in aanwezigheid van griffier F.B.H. Vermeulen.

Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt aan eiseres vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 21/1453

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

4 mei 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam] ).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam], te [woonplaats] , de werknemer.

Procesverloop

Met het besluit van 7 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft het UWV vastgesteld dat de ex-werknemer van eiseres met ingang van 30 juni 2020 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en dat deze per 2 juli 2020 tot uitbetaling komt.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2022. Eiseres en de werknemer zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder 3º en c, van de ZW bepaalt – kort gezegd – dat aan de werknemer die ziek uit dienst gaat ziekengeld wordt uitgekeerd.
1.2.
Niet in geschil is dat het dienstverband van de werknemer bij eiseres eindigde na 30 juni 2020, zoals ook blijkt uit de zich in het dossier bevindende gegevens uit [naam] . Tussen partijen is ook niet meer in geschil dat de werknemer op 30 juni 2020 als gevolg van ziekte ongeschikt was om zijn arbeid te verrichten en dus ziek uit dienst is gegaan. Hierom is aan de werknemer terecht een ZW-uitkering toegekend. Het UWV heeft er op de zitting terecht op gewezen dat in die situatie, gelet op de relevante bepalingen uit het Besluit Wfsv, de ZW-uitkering terecht is toegerekend aan eiseres.
1.3.
Van nawerking als bedoeld in artikel 46 van Pro de ZW – wat in het bestreden besluit nog als wettelijke grondslag is gebezigd – is dus geen sprake. In zoverre berust het bestreden besluit op een onjuiste wettelijk grondslag en is het niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om deze gebreken te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, omdat het UWV in het verweerschrift van 22 juni 2021 reeds het standpunt heeft ingenomen dat de ZW-uitkering terecht is toegekend vanwege het feit dat de werknemer ziek uit dienst is gegaan. Eiseres was daardoor in de gelegenheid om tijdig op dit gewijzigde standpunt te reageren. Het is daarom aannemelijk dat eiseres door dit verzuim niet is benadeeld.
2. Omdat de rechtbank toepassing geeft aan artikel 6:22 van Pro de Awb, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiseres is niet gebleken.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.B.H. Vermeulen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 4 mei 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: