Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV om zijn WW-uitkering niet uit te betalen wegens verwijtbare werkloosheid, omdat eiser zelf ontslag zou hebben genomen. Eiser, een man van 36 jaar met een aan autisme verwante stoornis, werkte sinds 2015 in beschutte werkomgevingen. Het UWV baseerde het besluit op summiere stukken en concludeerde dat eiser verwijtbaar werkloos was geworden.
Tijdens de zitting kwam veel nieuwe informatie naar voren, waaronder dat eiser onder druk van Werkpartners ontslag nam en dat hij zich onveilig voelde door ernstige conflicten en gedragsstoornissen bij cliënten. Ook werd toegelicht dat eiser kwetsbaar is vanwege zijn stoornis en dat hij de proeftijd bij zijn laatste werkgever heeft uitgediend. De rechtbank vond dat het UWV deze vragen al in de bezwaarfase had moeten stellen en dat het onderzoek onvoldoende was.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Daarom krijgt het UWV de opdracht om binnen twaalf weken nader onderzoek te verrichten, inclusief beoordeling van de kwetsbaarheid van eiser en zo nodig een medisch onderzoek. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.