Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. G.J. Roeterdink, rechter in een civiele procedure, omdat zij meenden dat de rechter partijdig was door het negeren van een tussenvonnis en het niet adequaat reageren op het ontbreken van een schriftelijk antwoord in reconventie van de wederpartij.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend, ondanks dat het verzoek pas na de mondelinge behandeling werd gedaan, omdat verzoekers niet de gelegenheid hadden gehad om vooraf overleg te plegen.
De kamer stelde vast dat de beslissing van de rechter een processuele beslissing betrof en dat een dergelijke beslissing, ook indien onjuist of gebrekkig gemotiveerd, niet zonder meer grond kan zijn voor wraking tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.
De wrakingskamer vond geen aanwijzingen voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter. Verzoekers hadden tijdens de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid gehad om te reageren op het verweer van de wederpartij.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en was tegen deze beslissing geen rechtsmiddel mogelijk.