ECLI:NL:RBOBR:2022:2474
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Klacht over wijziging dwangmedicatie zonder nieuwe besluitvorming volgens Wvggz
Betrokkene, verblijvend in een zorginstelling, diende een klacht in tegen de zorgverantwoordelijke over de wijziging van haar dwangmedicatie van orale naar depotvorm. Zij stelde dat deze wijziging niet schriftelijk was vastgelegd en dat er geen nieuwe beoordeling van haar wilsbekwaamheid had plaatsgevonden, waardoor de wettelijke eisen niet waren nageleefd.
De rechtbank stelde vast dat de oorspronkelijke zorgmachtiging van 20 april 2021 het toedienen van medicatie als verplichte zorg omvatte en dat de overgang naar depotmedicatie een bijstelling van de reeds ingezette behandeling betrof. De zorgverantwoordelijke had betrokkene en haar vertegenwoordigers geïnformeerd over de mogelijke wijziging en de noodzaak daarvan. De rechtbank achtte daarom geen nieuwe beslissing ex artikel 8:9 Wvggz Pro noodzakelijk.
Verder oordeelde de rechtbank dat de uitvoering van de verplichte zorg voldeed aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en effectiviteit, ondanks de door betrokkene ervaren bijwerkingen. Ook was de wilsbekwaamheid van betrokkene voldoende beoordeeld en was er geen aanleiding te veronderstellen dat zij ten tijde van de depotmedicatie wilsbekwaam was.
De klacht werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2022 door rechter F. Kooijman.
Uitkomst: De klacht over de wijziging van dwangmedicatie zonder nieuwe beslissing wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.