De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het aansteken van zwaar vuurwerk bij een gasverdeelstation in Oss, wat leidde tot een explosie en brand. De rechtbank oordeelde dat de herkenningen door verbalisanten op camerabeelden onvoldoende betrouwbaar waren om verdachte als dader aan te wijzen. Ook de kleding en getuigenverklaringen boden onvoldoende direct bewijs. Tapgesprekken bevestigden wel dat verdachte en zijn vriendin iets te verbergen hadden, maar boden geen concreet bewijs voor betrokkenheid bij de brandstichting.
Verdachte werd wel bewezen verklaard voor het voorhanden hebben van een geluiddemper voor een vuurwapen. De verdediging voerde aan dat het een demper voor een luchtdrukwapen betrof en dat verdachte onwetend was over de strafbaarheid, maar dit werd verworpen. De rechtbank achtte het bewezen dat de demper geschikt was voor een vuurwapen en dat verdachte strafbaar was. Vanwege reeds ondergane voorlopige hechtenis werd geen straf opgelegd.
De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd afgewezen gezien de geringe ernst van het feit. De geluiddemper werd onttrokken aan het verkeer. De rechtbank sprak verdachte vrij van brandstichting en veroordeelde hem niet tot straf voor het bezit van de geluiddemper, maar legde wel de maatregel van onttrekking op.