De zaak betreft het verzoek van natuurverenigingen om handhavend op te treden tegen het plaatsen van drie windturbines bij verkeersknooppunt Galder, vanwege mogelijke overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb). Verweerder, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, wees dit verzoek af omdat op basis van eerdere onderzoeken geen dreigende overtreding kon worden vastgesteld.
Eisers betoogden dat de onderzoeken van Bureau Waardenburg, die ten grondslag lagen aan de ontheffing en handhavingsbeslissing, onvoldoende waren voor zeldzamere vleermuissoorten zoals de rosse vleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Zij stelden dat aanvullend onderzoek nodig was volgens landelijke richtlijnen (Eurobats 2014). Verweerder verwees naar een deskundigenbericht en een second opinion die de deugdelijkheid van de onderzoeken bevestigden.
De rechtbank oordeelde dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een eerdere uitspraak (4 november 2020) al had vastgesteld dat de gebruikte onderzoeksopzet toereikend was voor vleermuizen in het algemeen, niet alleen voor de gewone dwergvleermuis. De richtlijnen van Eurobats zijn slechts aanbevelingen zonder bindende werking. De rechtbank zag dan ook geen aanleiding voor nieuw onderzoek of preventief handhavend optreden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank ging niet in op de afzonderlijke opmerkingen over vleermuissoorten omdat het fundamentele betoog over de onderzoeksmethode niet slaagde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.