Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [naam] B.V., te [vestigingsplaats]
Procesverloop
Overwegingen
- Derde-partij exploiteert een varkenshouderij aan de [adres] te [vestigingsplaats] , gemeente Steenbergen. De inrichting ligt op ongeveer 950 meter afstand van het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak.
- Voor de inrichting heeft verweerder op 25 juni 2010 een vergunning ingevolge de
Wet milieubeheer verleend voor het in werking hebben van een inrichting met
6 stallen voor 6.812 vleesvarkens. Deze vergunning is onherroepelijk geworden na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 april 2011 [1] .
- Voor deze inrichting is ook een vergunning op basis van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) verleend op 26 maart 2013. Deze vergunning is onherroepelijk en geldt sinds 1 januari 2017 als vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze vergunning is verleend voor een varkenshouderij met 6.864 vleesvarkens met een maximale ammoniakemissie van 215 kg NH3/jr en een maximale stikstofdepositie van 0,37 mol/ha/jr in het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak.
- Op 1 juli 2014 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd (inpandig) plaatsen van een combiwasser met 85% ammoniakreductie en een chemische luchtwasser met 80% ammoniakreductie op de 6 bestaande stallen (voor in totaal 6.812 vleesvarkens). Deze vergunning is onherroepelijk.
- Derde-partij heeft vervolgens op 12 februari 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend die ziet op een gewijzigde uitvoering van de luchtwassers (toepassing van bio-combiwassers in plaats van chemische luchtwassers). Het aantal dieren veranderde niet. Deze wijziging leidt tot een toename van de stikstofdepositie op (in ieder geval) het nabijgelegen Natura 2000-gebied. De aanvraag is nadien enkele malen aangevuld.
- Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft verweerder aan derde-partij de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting aan de [adres] , te [vestigingsplaats] . Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 8 mei 2020 heeft de rechtbank het besluit vernietigd en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 12 februari 2015.
- Eiseres heeft op 13 maart 2019 een verzoek tot handhaving ingediend met betrekking tot de toegestane ammoniakemissie van de stal op grond van de omgevingsvergunning die op
9 augustus 2016 is verleend; verweerder heeft dit verzoek afgewezen; bij uitspraak van
4 oktober 2019 [2] , heeft de rechtbank het besluit op bezwaar deels vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand gelaten.
- Derde-partij heeft de aanvraag van 12 februari 2015 op 14 oktober 2020 ingetrokken nadat zij op 1 oktober 2020 een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning had ingediend voor de activiteiten ‘milieu’ en ‘natuur’.
Een dergelijk voornemen is volgens verweerder geen besluit, zodat het verzoek daarom is afgewezen.
In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Tot slot stelt eiseres dat er zowel op 1 december 2020 als op 2 maart 2021 geen vergunbare aanvraag lag, wat verweerder ertoe had moeten brengen om handhavend op te treden. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
9 augustus 2016 is een ICV-systeem gecombineerd met combiwassers met 85% ammoniakreductie gerealiseerd. Om te voldoen aan het ammoniakemissieplafond uit de natuurvergunning van 26 maart 2013 heeft derde-partij de luchtwassers vervangen door twee achter elkaar geplaatste (chemische) luchtwassers met een ammoniakreductie van 90% respectievelijk 95%. Omdat de ammoniakemissie daardoor is afgenomen of ten minste gelijk is gebleven ten opzichte van de vergunde situatie, is volgens derde-partij geen nieuwe natuurvergunning meer vereist, zodat in zoverre van een overtreding geen sprake is. Verweerder heeft hierover gesteld hiervan niet zeker te zijn, omdat in de Regeling ammoniak en veehouderij geen factor is opgenomen voor de binnen het bedrijf toegepaste combinatie van huisvestingssystemen. Deze emissiefactor wordt in het kader van de lopende vergunningprocedure bepaald.
11. Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval heeft kunnen volstaan met het geven van een waarschuwing aan derde-partij en om die reden het verzoek om handhaving heeft kunnen afwijzen. Hierover stelt de rechtbank het volgende.
Volgens de LHS wordt het versturen van een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom als een waarschuwing gezien. Verweerder heeft bij brief van 8 september 2020 aan derde-partij een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd. Anders dan eiseres stelt, is dit een vorm van handhaving. In zoverre heeft verweerder voldaan aan de door hem toegepaste LHS. Daarbij wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Afdeling [3] , waarin is geoordeeld dat een bestuursorgaan zich in beginsel aan het beleid inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, dient te houden, ook al doen zich geen bijzondere omstandigheden voor om van handhaving af te zien.
Het feit dat de overtreder de gelegenheid wordt geboden om de overtreding te beëindigen, betekent niet dat aan zijn belang een groter gewicht wordt toegekend dan aan het belang van de natuurwaarden. De overtreder moet immers de overtreding beëindigen. Dat hem daartoe enige tijd wordt gegund maakt het beleid niet onrechtmatig.
11 juli 2018 [4] , waaruit volgt dat artikel 4:14, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt de beslistermijn te verlengen binnen de grenzen van het redelijke tot het moment dat wordt besloten tot al dan niet handhavend optreden. De werkwijze van verweerder in deze procedure maakt dat eiseres in wezen buiten spel is gezet bij de besluitvorming over handhavend optreden, ook al was dit volgens verweerder niet de bedoeling. Indien het bevoegd gezag, zoals in dit geval, na het geven van een waarschuwing niet overgaat tot handhavend optreden, om welke reden dan ook, kan dit tot gevolg hebben dat de verzoeker tot handhaving zich genoodzaakt voelt om een hernieuwd verzoek tot handhaving in te dienen, waarna opnieuw een hele handhavingsprocedure begint. Dat is in dit geval ook gebeurd en leidt in deze zaak tot een stapeling van handhavingsverzoeken en handhavingstrajecten. Zo heeft eiseres in 2021 weer een handhavingsverzoek ingediend en heeft verweerder dit weer moeten behandelen (en in een besluit van 17 mei 2021 afgewezen omdat nog niet kon worden vastgesteld of met de twee luchtwassers die eind 2020 zijn geplaatst en de 6.720 aanwezige vleesvarkens aan de voorwaarden van de vergunning van 26 maart 2013 wordt voldaan). Dit is niet efficiënt en is onnodig belastend voor alle partijen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de derde-partij met onmiddellijke ingang een verbod krijgt nieuwe varkens aan te voeren, zoals eiseres heeft verzocht, omdat wat het milieuaspect betreft niet is betwist dat concreet zicht is op legalisatie en wat het natuuraspect betreft niet duidelijk is dat sprake is van een overtreding of dat die klaarblijkelijk dreigt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het handhavingsverzoek van eiseres uit 2019 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 61,28;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,00 aan eiseres te vergoeden.