ECLI:NL:RBOBR:2022:3245

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 augustus 2022
Publicatiedatum
3 augustus 2022
Zaaknummer
C/01/381690 / HA ZA 22-250
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 1022 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens toepasselijk arbitraal beding in geschil over nakoming arbitraal vonnis

In deze civiele procedure vordert de vereniging van eigenaars Polderzicht een verklaring voor recht dat de gedaagde niet heeft voldaan aan een eerder arbitraal vonnis en tevens schadevergoeding. De gedaagde stelt dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren vanwege een arbitraal beding in de koop-/aannemingsovereenkomst dat alle geschillen aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw toewijst.

De rechtbank oordeelt dat het geschil niet valt onder artikel 438 Rv Pro omdat het geen executiegeschil betreft, maar een inhoudelijke beoordeling van rechten ontleend aan het arbitraal vonnis. Omdat partijen een geldig arbitraal beding zijn overeengekomen, moet het geschil aan arbitrage worden voorgelegd.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt Polderzicht in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, omdat zij de zaak onnodig bij de civiele rechter heeft aangebracht. De kosten aan de zijde van de gedaagde worden begroot op respectievelijk €563 en €2.837.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd vanwege het toepasselijke arbitraal beding en veroordeelt Polderzicht in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/381690 / HA ZA 22-250
Vonnis in incident van 3 augustus 2022
in de zaak van
de vereniging
DE VERENIGING VAN EIGENAARS POLDERZICHT KOOIKERSTRAAT 73-119,
gevestigd te Alphen aan de Rijn,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. A.G.E. Verbart te Tilburg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P. Koeslag te Schijndel.
Partijen worden hierna Polderzicht en [gedaagde] (beiden vrouwelijk, enkelvoud) genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding,
  • de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring,
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Polderzicht vordert in de hoofdzaak, zakelijk weergegeven, een verklaring voor recht dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan hetgeen waartoe zij bij eerdere gewezen arbitraal vonnis (van 12 juni 2015) is veroordeeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.
2.2.
[gedaagde] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Polderzicht voert verweer in het incident. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen.
2.4.
Uit de stellingen van [gedaagde] volgt dat partijen een arbitraal beding (artikel 15 van Pro de koop-/ aannemingsovereenkomst) zijn overeengekomen waaruit volgt dat alle geschillen tussen partijen worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw (met uitzondering van enkele nader omschreven geschillen, in casu niet van toepassing). Polderzicht heeft niet betwist dat partijen artikel 15 van Pro de koop-/ aannemingsovereenkomst zijn overeengekomen, noch de door [gedaagde] gestelde uitleg van dat beding.
2.5.
Anders dan Polderzicht meent is de rechtbank van oordeel dat artikel 438 Rv Pro niet van toepassing is. Van een executiegeschil in de zin van dat artikel is namelijk geen sprake. Een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 lid 1 Rv Pro is een geschil dat verband houdt met een (al dan niet dreigende) executie, dat wil zeggen de tenuitvoerlegging van een vonnis. Het onderhavige geschil gaat echter niet over de tenuitvoerlegging van een vonnis. Dat Polderzicht het eerder gewezen arbitrale vonnis aan haar vorderingen (de verklaring voor recht dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan het arbitraal vonnis en de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding) ten grondslag legt is geen executie (/ tenuitvoerlegging) van dat vonnis. Omdat artikel 438 Rv Pro niet van toepassing is verhindert dat artikel niet de toepasselijkheid van het overeengekomen arbitraal beding.
2.6.
Polderzicht betoogt verder in haar conclusie van antwoord in het incident dat en waarom zij rechten aan het eerder gewezen arbitraal vonnis kan ontlenen. De vraag of Polderzicht (en zo ja welke) rechten aan het eerder gewezen arbitraal vonnis kan ontlenen is een vraag die voorligt in de hoofdzaak. Dit betoog van Polderzicht staat toepassing van het arbitraal beding niet in de weg.
2.7.
Omdat partijen een arbitraal beding zijn overeengekomen dat ziet op het geschil in de hoofdzaak, verklaart de rechtbank zich op grond van artikel 1022 Rv Pro onbevoegd.
2.8.
Polderzicht zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De rechtbank begroot de kosten van [gedaagde] tot op heden op € 563,00 voor salaris advocaat.
2.9.
Polderzicht zal in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van [gedaagde] in de hoofdzaak worden begroot op € 2.837,- voor betaald griffierecht.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,
3.2.
veroordeelt Polderzicht in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 563,-,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
3.5.
veroordeelt Polderzicht in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.837,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.