ECLI:NL:RBOBR:2022:338
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling definitieve vaststelling tegemoetkoming NOW-1 bij late loonaangifte
Eiseres heeft een tegemoetkoming op grond van de NOW-1 aangevraagd voor de periode 1 maart tot en met 31 mei 2020. De minister heeft een voorschot van €3.135 toegekend, maar bij definitieve vaststelling slechts €78 subsidie toegekend en het teveel betaalde voorschot van €3.057 teruggevorderd. Dit omdat loonaangiften over april en mei 2020 pas op 27 juli 2020 zijn gedaan, na de peildatum 19 juli 2020 die de regeling hanteert.
Eiseres betoogde dat zij conform de voorschriften had gehandeld, niet was geïnformeerd over de peildatum en dat loonaangiftevertraging te wijten was aan uitstel van de Belastingdienst en inlogproblemen. De rechtbank oordeelde dat de NOW-1-regeling duidelijk voorschrijft dat alleen loonaangiften uiterlijk op 19 juli 2020 in aanmerking worden genomen en dat de regeling geen ruimte biedt voor uitzonderingen of hardheidsclausules.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het voorschot heeft teruggevorderd en de subsidie heeft vastgesteld op basis van de loonaangiften die tijdig waren ingediend. Wel werd de minister opgedragen het betaalde griffierecht van €360 aan eiseres te vergoeden, omdat de informatievoorziening door het UWV onvoldoende was geweest. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de NOW-1 subsidie wegens te late loonaangifte is ongegrond verklaard.