In deze echtscheidingsprocedure tussen partijen is het verzoek tot partneralimentatie door de rechtbank afgewezen. Dit volgt uit het feit dat de verzoekster (Y) vanaf augustus 2021 al 80% werkte, maar dit verzweeg tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure, waardoor haar inkomen en daarmee haar aanvullende behoefte te hoog werden vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat dit wangedrag is en dat van de andere partij (X) niet in redelijkheid kan worden verlangd bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van Y.
De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind (A) bij Y vastgesteld. De zorgregeling bepaalt dat A bij X verblijft wanneer zij dat wenst. De kinderalimentatie is vastgesteld op €512,65 per maand, gebaseerd op een zorgvuldige berekening van de draagkracht van beide ouders en de behoefte van het kind.
De rechtbank heeft ook een jusvergelijking gemaakt om te beoordelen of Y door de partneralimentatie in een betere positie zou komen dan X, wat niet het geval was bij een bijdrage van €389 bruto per maand. Desondanks is het verzoek afgewezen vanwege het wangedrag van Y. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en overige vermogensrechtelijke verzoeken zijn aangehouden voor een latere beschikking.
Partijen dragen elk hun eigen proceskosten. De beschikking is gegeven door rechter Ch. Dunnewijk en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.