ECLI:NL:RBOBR:2022:3766

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 september 2022
Publicatiedatum
7 september 2022
Zaaknummer
22/1294
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig nemen besluit op bezwaar door gemeente Bergeijk

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk vanwege het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op hun bezwaar, nadat de rechtbank eerder had bepaald dat binnen zes weken een nieuw besluit moest worden genomen.

De rechtbank stelt vast dat het college niet heeft voldaan aan deze opdracht en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Indien het college hier niet aan voldoet, verbeurt het een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.

Verweerder heeft aangevoerd dat de beoordeling van de ruimtelijke onderbouwing vertraging oploopt vanwege advies van de omgevingsdienst en vakantieperiodes, maar de rechtbank oordeelt dat dit geen rechtvaardiging vormt voor uitstel van de termijn.

De rechtbank wijst erop dat zij niet bevoegd is om de omgevingsvergunning te vernietigen zolang er geen nieuw besluit is genomen. De reeds opgelegde schorsing van de vergunning blijft van kracht tot zes weken na het nieuwe besluit. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eisers vergoed.

De uitspraak is gedaan door rechter D.J. Hutten en griffier M. Verbeek en is uitgesproken op 7 september 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 22/1294

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2022 in de zaak tussen

[naam] en [naam] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, verweerder

(gemachtigde: J.F.M. van der Velden).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 7 april 2022 SHE 22/389 en 22/390. In die uitspraak staat dat verweerder binnen 6 weken opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eisers. Eisers stellen nu beroep in omdat verweerder dat volgens hen niet heeft gedaan.

Overwegingen

1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaken niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. [1] Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank verweerder in de uitspraak van 7 april 2022 opdracht heeft gegeven om binnen 6 weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
3. Vaststaat dat verweerder niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van 7 april 2022 een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar.
4. Omdat verweerder nog geen nieuw besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank kan op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen.
5. Verweerder voert aan dat hij de ruimtelijke onderbouwing van de vergunninghouder op 24 juni 2022 heeft ontvangen. Hiervan maken onder meer een AERIUS-berekening, een memo stikstofdepositie en een notitie geluidsonderzoek deel uit. Voor de beoordeling van deze aspecten is verweerder aangewezen op de expertise van de omgevingsdienst. Gelet op de werkvoorraad bij de omgevingsdienst en het ambtelijk apparaat, mede in aanmerking genomen de naderende vakantieperiode en de mogelijke noodzaak van aanvulling van de ruimtelijke onderbouwing, vindt verweerder het reëel ervan uit te gaan dat een nieuwe beslissing voor eind september 2022 kan worden genomen.
6. De rechtbank begrijpt dat verweerder advies heeft gevraagd aan de omgevingsdienst. Verweerder heeft echter niet aangegeven welke periode de omgevingsdienst zegt nodig te hebben om tot een advies te komen. Hij heeft slechts in algemene bewoordingen gewezen op de werkvoorraad bij de omgevingsdienst en het ambtelijk apparaat en de nadere vakantieperiode. Dat is niet voldoende om uitstel van het besluit tot eind september 2022 te rechtvaardigen. Dat het mogelijk nodig is om de ruimtelijke onderbouwing aan te vullen is een toekomstige onzekere omstandigheid. Dat rechtvaardigt evenmin verder uitstel van het besluit. De rechtbank zal verweerder dan ook geen langere termijn geven dan twee weken.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8.
Eisers hebben de rechtbank verzocht om de omgevingsvergunning te vernietigen. Daartoe is de rechtbank in deze procedure echter niet bevoegd. Verweerder heeft immers nog geen nieuw besluit op het bezwaar van eisers genomen. De rechtbank kan in deze procedure niet verder gaan dan het geven van een opdracht om een nieuw besluit te nemen en die opdracht versterken met een dwangsom.
9. Eisers geven aan dat zij zich het recht voorbehouden om zo nodig een schorsingsverzoek in te dienen. De rechtbank merkt hierover op dat de omgevingsvergunning al is geschorst in de uitspraak van 7 april 2022. Die schorsing geldt tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar. Dat betekent dat de schorsing nog steeds geldt.
10. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht moet vergoeden.
11. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van M. Verbeek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6:12, derde lid, van de Awb.