Partijen, de moeder en vader van een minderjarig kind met dubbele nationaliteit (Nederlands en Braziliaans), zijn in geschil over toestemming voor het aanvragen van een paspoort en een vakantie naar Brazilië met het kind. De moeder wil met het kind op vakantie naar Brazilië en een nieuw Nederlands paspoort aanvragen, maar de vader weigert toestemming vanwege vrees dat de moeder niet zal terugkeren.
De rechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van Brussel II-ter en dat Nederlands recht van toepassing is volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag. De vader heeft voldoende onderbouwd waarom hij zijn toestemming weigert, onder meer vanwege de verblijfssituatie van de moeder, haar banden met Brazilië en het ontbreken van een noodzaak tot reis in december 2022.
De voorzieningenrechter wijst daarom de vorderingen van de moeder af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek tot vervangende toestemming voor het paspoort en de reis wordt niet toegewezen, mede vanwege de lopende bodemprocedure tussen partijen.