ECLI:NL:RBOBR:2022:4037

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 september 2022
Publicatiedatum
23 september 2022
Zaaknummer
WR 22/023
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArt. 2:2 AwbArtikel 5, tweede lid, sub d, Wrakingsprotocol rechtbank Oost-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak voorlopige voorziening

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. S.D.M. Michael, rechter in de rechtbank Oost-Brabant, na een uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening. Het oorspronkelijke verzoek betrof het schorsen van een besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, waarin verzoeker voor een jaar werd geweigerd als gemachtigde.

De wrakingskamer heeft geoordeeld dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is omdat het is ingediend nadat de rechter de einduitspraak in de hoofdzaak had gedaan. Volgens artikel 5, tweede lid, sub d, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant en de geldende wetgeving is wraking na een einduitspraak niet mogelijk.

De wrakingskamer heeft daarom het verzoek zonder mondelinge behandeling afgewezen en verklaard niet-ontvankelijk. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De beslissing is genomen door de wrakingskamer bestaande uit voorzitter J.O.Y. Elagab en leden C.T.C. Wijsman en G.J. Roeterdink.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de einduitspraak in de hoofdzaak is ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 22/023
Beslissing van 2 september 2022
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
[verzoeker], wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. S.D.M. Michael,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Verzoeker heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van het besluit van 13 mei 2022 van het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: het college). Het college heeft hierin besloten – kortgezegd – om verzoeker op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een periode van één jaar te weigeren als gemachtigde. Verzoeker heeft verzocht dit besluit te schorsen.
De rechter heeft het verzoek (met zaaknummer SHE 22/1167) behandeld op de zitting van 26 augustus 2022. Na afloop van de zitting heeft de rechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De rechter heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Dezelfde dag, maar na de uitspraak, heeft verzoeker de rechter gewraakt. Bij brief van 29 augustus 2022 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek aangevuld.

2.De beoordeling

2.1
De wrakingskamer oordeelt dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarbij overweegt de wrakingskamer als volgt.
2.2
De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking op grond van artikel 5, tweede lid, sub d, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Oost Brabant zonder behandeling ter zitting aanstonds afdoen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek, indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan. De wet voorziet voorts niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak of tijdens het uitspreken van die uitspraak, wraking te verzoeken van een rechter die deze uitspraak heeft gedaan of doet.
Verzoeker heeft het wrakingsverzoek gedaan nadat de rechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen met zaaknummer SHE 22/1167. Reeds hierom is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
2.3
Omdat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek bestaat geen reden voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven op 2 september 2022 door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter,
mr. C.T.C. Wijsman en mr. G.J. Roeterdink, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.
De griffier mr. C.T.C. Wijsman
(mr. Wijsman heeft de beslissing ondertekend omdat de voorzitter is verhinderd dit te doen)
Tegen deze beslissing staat
geenrechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb).