Eiser werkte tot februari 2018 als magazijnmedewerker en meldde zich in mei 2018 ziek. Na een WIA-beoordeling werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor lichte arbeid. Op 13 januari 2021 meldde hij zich opnieuw ziek en vroeg een Ziektewetuitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat hij geschikt was voor zijn functie als administratief medewerker.
Eiser voerde aan dat zijn fysieke en psychische beperkingen, waaronder rugklachten, jicht, medicatiegebruik en ernstige psychische klachten zoals een depressie en suïcidepoging, niet juist waren ingeschat. Hij verwees naar medische rapporten en behandelingen die een toename van zijn beperkingen aantonen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, inclusief medische rapportages van verzekeringsartsen die eiser op de relevante datum hadden onderzocht. De psychische klachten waren op die datum aanwezig maar niet in die mate dat een urenbeperking noodzakelijk was. Latere verergering van klachten leidde tot een latere toekenning van een Ziektewetuitkering, maar dat maakte de beoordeling op 13 januari 2021 niet onjuist.
De rechtbank concludeerde dat eiser op de datum in kwestie geschikt was voor zijn eigen werk, dat routinematig en niet stressvol is, en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.