Op 23 december 2021 werd een spoedmachtiging verleend voor de uithuisplaatsing van twee minderjarigen voor vier weken. De gezinsvoogd (GI) had echter sinds de start van de ondertoezichtstelling in juni 2021 geen adequate hulpverlening geboden, ondanks een opdracht van de kinderrechter om eerst hulp in de thuissituatie in te zetten.
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 januari 2022 verklaarden de ouders dat zij openstaan voor hulp en herhaaldelijk vergeefs contact zochten met de GI. De GI kon slechts hulpverlening aantonen van vóór de ondertoezichtstelling en spoedhulp vanaf december 2021. De kinderrechter concludeerde dat de GI haar taak niet naar behoren had vervuld en dat onvoldoende was geprobeerd om uithuisplaatsing te voorkomen.
Hoewel de beschikking van 23 december 2021 op dat moment op goede gronden was genomen, bepaalt de kinderrechter nu dat de uithuisplaatsing per 4 januari 2022 eindigt en dat de kinderen dezelfde dag terugkeren naar huis. Het verzoek tot verlenging van de machtiging wordt afgewezen. De beslissing werd mondeling gegeven en op 19 januari 2022 schriftelijk vastgelegd.