Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Gemeente Eindhoven,
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
1) de billijke vergoeding ter hoogte van € 15.000,- ex artikel 7:671b lid 8
sub c BW;
2) het achterstallige salaris en doorbetaling van het salaris vanaf 21 oktober
2021 tot de einddatum van het dienstverband, alsdan vast te stellen op
€ 3.323,71 bruto inclusief 17,05% IKB per maand, te vermeerderen met
de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro;
3) de wettelijke transitievergoeding;
4.Het verweer en het tegenverzoek
5.De beoordeling
Alles afwegende leidt dit tot het oordeel dat er weliswaar sprake is van verwijtbaar handelen van [verzoeker] , maar dat dit onder de gegeven omstandigheden onvoldoende is om het gegeven ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Op grond van het voorgaande valt niet in te zien dat de Gemeente in deze niet heeft kunnen volstaan met een andere arbeidsrechtelijke sanctie aan [verzoeker] . Een ontslag op staande voet is in dit specifieke geval een te zwaar middel.
Stcrt.2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling). In artikel 7:686 BW Pro is bepaald dat voornoemde bepalingen een ontbinding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst niet uitsluiten.
6.De beslissing
donderdag 24 februari 2022opdat de Gemeente dan bij akte schriftelijk aangeeft of en zo ja op welke wijze zij het verlangde bewijs wenst te leveren;