De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak tegen verdachte die werd verdacht van mensenhandel in de vorm van uitbuiting van werknemers bij een autowasserij. De tenlastelegging betrof het werven, huisvesten en vervoeren van werknemers onder slechte arbeidsomstandigheden met het oogmerk van uitbuiting, waaronder het betalen van loon onder het wettelijk minimum en het niet uitbetalen van overuren en ziekte.
Tijdens de zittingen op 15 november 2021, 8 februari 2022 en 28 oktober 2022 werd vastgesteld dat de arbeidsomstandigheden slecht en maatschappelijk onaanvaardbaar waren. Werknemers werkten zes dagen per week, van 9:00 tot 20:00 uur, tegen een dagloon van maximaal €35, met inhoudingen voor huisvesting. Er was echter onvoldoende bewijs dat sprake was van extreem lange werkdagen, gevaarlijke stoffen of dat werknemers geen vrije dagen hadden.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het werkgeverschap tekortschiet, de omstandigheden niet voldeden aan de wettelijke definitie van uitbuiting in mensenhandel. Er was onvoldoende bewijs dat werknemers in een situatie verkeerden waarin zij geen andere keuze hadden dan zich te laten exploiteren. Ook was niet bewezen dat verdachte het oogmerk had om uitbuiting te bewerkstelligen.
Daarom verklaarde de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de kosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.