Eiseres had een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 68,58%. Het UWV voerde op verzoek van de ex-werkgever een herbeoordeling uit en stelde vast dat eiseres vanaf 8 juli 2021 slechts 20,73% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd stopgezet per 8 september 2021. Na bezwaar wijzigde het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage naar 32,09%, maar bleef onder de 35% grens, waardoor het bezwaar ongegrond werd verklaard.
Eiseres voerde aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld, met name vanwege PTSS en een maximale werkcapaciteit van 12 uur per week. Zij betwistte de geschiktheid van de functies die het UWV had vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten van verzekeringsartsen zorgvuldig, consistent en begrijpelijk waren en dat de arbeidsdeskundige de functies adequaat had onderbouwd.
De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om het oordeel van het UWV te weerleggen. De functies die zij nog zou kunnen vervullen, zijn passend geacht, en het arbeidsongeschiktheidspercentage blijft onder de 35%. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de stopzetting van de WIA-uitkering terecht.