ECLI:NL:RBOBR:2022:6273

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2022
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
9771127 \ EJ VERZ 22-124
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:670 BWArt. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding

In deze zaak vordert Zorgzijn voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer erkent de verstoorde arbeidsrelatie en verzoekt om een transitievergoeding van €21,90.

De kantonrechter gaat veronderstellenderwijs uit van het bestaan van een arbeidsovereenkomst en constateert dat het noodzakelijke vertrouwen voor verdere samenwerking ontbreekt. Er is geen sprake van verwijtbaarheid aan beide kanten.

Daarom wordt de ontbinding per 1 juni 2022 toegewezen, voor zover de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig bestaat. Een transitievergoeding wordt niet toegekend omdat de werknemer geen zelfstandig verzoek heeft ingediend en de procedure daarvoor niet geschikt is.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beschikking is op 15 april 2022 in het openbaar uitgesproken door kantonrechter E. Loesberg.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2022 wegens verstoorde arbeidsverhouding zonder toekenning van transitievergoeding.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 9771127 \ EJ VERZ 22-124
Beschikking van 15 april 2022
in de zaak van:
de besloten vennootschap Thuiszorg Zorgzijn B.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
verzoekster,
gemachtigde: mr. M.W.G. Koopmans.
tegen:
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. L. Leenders.
Partijen worden hierna “Zorgzijn” en “ [verweerster] ” genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
[verweerster] heeft Zorgzijn op 3 maart 2022 in kort geding gedagvaard en onder andere betaling van (achterstallig) loon gevorderd. Zorgzijn heeft op 15 maart 2022 een conclusie van antwoord ingediend in kort geding, dat tevens een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst omvat. Daarna heeft [verweerster] bij brief van 21 maart 2022 een vijftal verklaringen overlegd. De kantonrechter heeft besloten de mondelinge behandeling van het verzoekschrift en het kort geding (zaak- en rekestnummer: 9691442 / CV EXPL 22-770) gevoegd te behandelen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2022 en is vanwege het ontbreken van de originele dagvaarding met producties in het procesdossier, voortgezet op 1 april 2022, waarbij mr. Koopmans gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. Voorafgaand aan de zitting heeft [verweerster] een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift bevat tevens een verzoek tot toekenning van een transitievergoeding. Van de zijde van
Zorgzijn zijn producties 11 t/m 17 ingediend. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat op 15 april 2022 uitspraak wordt gedaan.

2.Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1.
Zorgzijn heeft een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] ingediend, namelijk voor het geval een arbeidsovereenkomst tussen hen bestaat, op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel g dan wel onderdeel h BW.
2.2
Aan dit verzoek legt Zorgzijn – kort gezegd – ten grondslag dat indien er een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat, er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet langer kan voortduren. [verweerster] heeft in haar verweerschrift beaamd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en heeft verzocht om toekenning van een transitievergoeding van € 21,90,-.
2.3
De kantonrechter overweegt als volgt.
2.4.
Het onderhavige verzoek betreft een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat er, in het kader van de beoordeling van het verzoek van Zorgzijn, veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat. Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met een van de opzegverboden van artikel 7:670 BW Pro of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.
2.5.
De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen het noodzakelijke vertrouwen voor een verdere vruchtbare samenwerking niet meer aanwezig is. De verstoorde arbeids-verhouding is zodanig dat van Zorgzijn in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Partijen treft over en weer geen verwijt ten aanzien van de ontstane situatie en de reden die uiteindelijk aanleiding gaf tot indiening van dit voorwaardelijke ontbindingsverzoek.
Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden ingewilligd, met de bepaling dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen per 1 juni 2022, voor zover in rechte komt vast te staan dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat. Omdat [verweerster] slechts verweer heeft gevoerd en geen zelfstandig tegenverzoek heeft ingediend en in deze procedure de hoogte van een transitievergoeding niet kan worden vastgesteld, zal de kantonrechter aan [verweerster] ten laste van Zorgzijn geen transitievergoeding ex artikel 7:673 BW Pro toekennen.
2.6.
De kantonrechter ziet geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenveroordeling.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt - voor zover (onherroepelijk) in rechte komt vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en Zorgzijn bestaat –- de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2022;
3.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gewezen door mr. E. Loesberg, kantonrechter en op 15 april 2022 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.