Eiser werkte als productiemedewerker wasserij en viel uit wegens schouderklachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewet-uitkering na een verzekeringsartsrapport dat stelde dat eiser geschikt was voor zijn eigen werk. Eiser betwistte dit en voerde aan dat het UWV onjuiste aannames deed over zijn werkzaamheden, met name over het werken met verstrengeld wasgoed en zware containers.
De rechtbank oordeelde dat het medische onderzoek voldoende zorgvuldig was, maar dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het uitging van een juiste en actuele functieomschrijving. De arbeidsdeskundige informatie was onvoldoende en de stellingen van eiser over de aard van het werk werden niet adequaat weersproken. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat eiser geschikt was voor zijn functie.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de Ziektewet-uitkering per 20 januari 2020 herleeft. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.