De zaak betreft een vordering van de zoon van mevrouw, overleden na verblijf in een woonzorgboerderij van De Zorgboog, tot verstrekking van het volledige medisch dossier en beantwoording van vragen over de zorg. De vordering is gebaseerd op een vermeende machtiging en een vermoeden van een medische fout.
De rechtbank oordeelt dat de door eiser overgelegde kopie van de machtiging onvoldoende bewijs levert, mede gezien de gemotiveerde betwisting door De Zorgboog en het ontbreken van het origineel. Daarnaast is het vermoeden van een medische fout onvoldoende concreet en onderbouwd, terwijl het belang van geheimhouding zwaarwegend is, ook na overlijden.
De rechtbank overweegt dat inzage in het dossier alleen mogelijk is bij een zwaarwegend belang dat voldoende concreet is aangetoond, wat hier niet het geval is. Ook de subsidiaire vordering op grond van artikel 843a Rv wordt afgewezen vanwege het beroep op het beroepsgeheim. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.