De zaak betreft een handelsgeschil tussen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, en een gedaagde onderneming. De rechtbank Oost-Brabant is bevoegd op grond van de woonplaats van de gedaagde en de toepasselijke wet- en regelgeving.
Volgens het zaaksverdelingsreglement van de rechtbank Oost-Brabant moeten processtukken in handelszaken worden ingediend bij het loket in ’s-Hertogenbosch. De dagvaarding vermeldde echter onterecht de zittingsplaats Eindhoven, waar geen stukken kunnen worden ingediend. Eiseres werd door de rechtbank bevolen dit gebrek te herstellen, maar heeft dit nagelaten.
Gelet op het ontbreken van herstel verklaart de rechtbank de dagvaarding nietig en veroordeelt eiseres in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van gedaagde nihil worden begroot. De gedaagde is niet verschenen tijdens de zitting.
Het vonnis is gewezen door rechter E.J.C. Adang en op 15 maart 2023 in het openbaar uitgesproken.