Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De formele voorvragen
4.Beslissingen over het bewijs
Voor de volledigheid wil ik opmerken dat had de oorspronkelijke vordering ook de namen [persoon 1] en [persoon 2] bevat, ik het bevel opnemen vertrouwelijke communicatie ook voor hen zou hebben toegewezen. Uit het onderliggende proces-verbaal blijkt dat [persoon 1] een vriend van verdachte is en dat zij veelvuldig contact hebben/hadden. Ook blijkt dat hij contact heeft met een medeverdachte. Ook [persoon 2] is een contact van verdachte. Op 16 september 2017 zijn verdachte en hij samen op een snorfiets gezien. Gelet op de verdenking en de ernstige inbreuk op de rechtsorde alsmede de plaats en beperkte duur van het opnemen van de communicatie, ben ik van oordeel dat voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.”
“die osso heb ik gedaan”betrekking heeft op een huis. Het woord “osso” is immers straattaal voor “huis”. Daarom kan deze zin geen betrekking hebben op het pand gelegen aan de [adres 2] te Oss, omdat dit geen huis betrof maar een niet in gebruik zijnde horecagelegenheid, aldus de verdediging. De rechtbank kan deze stelling van de raadsman niet volgen, temeer nu verdachte ten tijde van de brandstichting zelf de bewoner van de bovenverdieping van dit pand was.
Die osso die ik heb gedaan is een anonieme tip of eeh tipgeld op uitgegeven man”dan ook niet anders worden begrepen dan dat het betrekking heeft op de brandstichting in het pand aan de [adres 2] .
Heb [persoon 5] is [persoon 5] naar [persoon 6] toegegaan. [persoon 6] eeh [persoon 7] laten doen snap je? Toen was het mislukt! De volgende dag komt [persoon 5] boos naar mij toe jaa dit dat zus zo, hij zegt [verdachte] doe jij het maar. Zelfde avond ben ik alleen naar binnen toe gegaan en heb ik het gedaan snap je.” Dit komt niet overeen met het werkelijke tijdspad tussen beide brandstichtingen in het pand aan de [adres 2] te Oss. Hoewel dit naar de letterlijke inhoud een inconsistentie betreft, acht de rechtbank deze inconsistentie niet van zodanige aard en gewicht dat deze uitspraak – mede in het licht van de overige bewijsmiddelen – ontlastend is. Immers is in dit pand binnen een tijdsbestek van slechts één week tweemaal brand gesticht, waarbij tijdens de eerste brandstichting op 24 juli 2017 de brandweer kon voorkomen dat het pand volledig afbrandde. De uitlating van verdachte in het OVC-gesprek, te weten
“toen was het mislukt”,zou bovendien kunnen duiden op het feit dat deze brand door de brandweer snel onder controle is gekregen
.De uitlatingen van verdachte stemmen daarom naar het oordeel van de rechtbank overeen met de gang van zaken met betrekking tot het pand.
“Want ik kan niet de hele tijd over brand praten over die telefoon snap je”.Naar het oordeel van de rechtbank verwijst deze uitlating onmiskenbaar naar een brandstichting. Het feit dat deze uitlating in het OVC-gesprek is uitgeschreven in een aanvullend proces-verbaal van bevindingen acht de rechtbank niet van belang bij de beoordeling van het bewijs.
5.De bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Oplegging van straf en/of maatregel
9.Toepasselijke wetsartikelen
18 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan
6 maandenvoorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.