De man diende op 9 november 2022 een verzoek tot echtscheiding in tegen de vrouw, die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank stelde vast dat de betekening van het verzoekschrift aan de vrouw binnen veertien dagen na indiening had moeten plaatsvinden, conform artikel 816, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Omdat de vrouw geen bekende verblijfplaats heeft, moest betekening plaatsvinden aan het parket van het openbaar ministerie en via bekendmaking in de Staatscourant.
De man heeft de betekening echter pas op 12 januari 2023 verricht, ruim twee maanden na de indiening van het verzoek. De rechtbank oordeelde dat de man niet tijdig de vereiste stappen heeft ondernomen om het verzoek correct te betekenen en dat het gebrek in betekening niet meer kan worden hersteld. Er is geen aanwijzing dat de vrouw anderszins op de hoogte is gebracht van het verzoek.
Op grond hiervan verklaarde de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding. De rechtbank baseerde zich op de toepasselijke wetsartikelen en het procesreglement scheiding. De uitspraak werd gedaan door rechter F.E. Roll op 20 maart 2023 te 's-Hertogenbosch.