ECLI:NL:RBOBR:2023:1825

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
15 april 2023
Zaaknummer
C/01/390206 / JE RK 23-228
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige met complexe problematiek

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 23 maart 2023 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die lijdt aan complexe problematiek, waaronder een posttraumatische stressstoornis en een expressieve taalstoornis. De minderjarige verblijft sinds juli 2022 in een gespecialiseerde accommodatie en heeft contactmomenten met zijn moeder en broer die thuis wonen.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. De relatie met de moeder verloopt grillig, waarbij de minderjarige soms agressief gedrag vertoont. De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling is essentieel om de juiste begeleiding richting meerderjarigheid te waarborgen.

Ook de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd omdat de thuissituatie onhoudbaar is en de specialistische begeleiding in de accommodatie noodzakelijk is. De moeder is slachtoffer van de toeslagenaffaire, wat heeft geleid tot ernstige persoonlijke en gezinsproblemen, maar zij toont veerkracht en zet de belangen van haar kinderen voorop.

De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en informeert over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/390206 / JE RK 23-228
Datum uitspraak: 23 maart 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van

de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging ’s-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
over

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 9 februari 2023, ontvangen op 13 februari 2023;
- het advies van de raad over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van 7 maart 2023, ontvangen op 10 maart 2023.
Op 23 maart 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:
- de moeder;
- mevrouw [naam 1] namens de GI.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek aan de kinderrechter kenbaar te maken. Hij heeft daarvan geen gebruikgemaakt.

De feiten

De vader en moeder van [minderjarige] zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op [datum 1] 2016 door echtscheiding ontbonden.
Bij beschikking van 10 januari 2019 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 10 april 2019 en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken, dus tot 7 februari 2019.
Bij beschikking van 21 januari 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in het [accomodatie 1] dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 7 februari 2019 tot 10 april 2019.
Bij beschikking van 8 april 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 8 april 2020. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 8 april 2020. Deze maatregelen zijn daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 8 april 2023.
Bij beschikking van 18 maart 2021 heeft deze rechtbank het ouderlijk gezag van de vader ( [naam vader] ) over [minderjarige] en zijn broertje [naam 2] beëindigd en bepaald dat het gezag voortaan uitsluitend aan de moeder toekomt.
Bij beschikking van 23 juni 2021 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de uitoefening van het recht op omgang van de vader zoals is neergelegd in de beschikking van deze rechtbank van 28 juli 2016 geschorst.
[minderjarige] heeft sinds de zomervakantie 2020 geen contact met zijn vader.
[minderjarige] verblijft sinds juli 2022 bij [accomodatie 2] . In de weekenden heeft [minderjarige] contactmomenten met zijn moeder en broertje [naam 2] , die bij de moeder woont.

De verzoeken

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar.

De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling
De kinderrechter moet beoordelen of de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar moet worden verlengd (artikel 1:255 in Pro samenhang met artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
De kinderrechter acht de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. [minderjarige] wordt nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Bij [minderjarige] is sprake van complexe problematiek. Hij is gediagnosticeerd met onder andere een posttraumatische stressstoornis vanwege huiselijk geweld, mishandeling door zijn vader en de uithuisplaatsing, een disharmonisch intelligentieprofiel met een zeer jonge emotionele ontwikkeling, een onveilige hechting en een expressieve taalstoornis. Verder zijn er nog altijd zorgen over de contactmomenten tussen [minderjarige] en zijn moeder. Deze kunnen soms fors escaleren, waarbij [minderjarige] dwingend en manipulerend richting zijn moeder is en soms ook verbaal en fysiek agressief kan zijn.
De kinderrechter heeft niet de verwachting dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] met vrijwillige hulpverlening, dus zonder een ondertoezichtstelling, kunnen worden weggenomen. Het is positief dat de moeder en de GI een goede samenwerking met elkaar hebben en het erover eens zijn dat de komende tijd een goed plan voor [minderjarige] moet worden gemaakt voor zowel de periode tot als de periode vanaf zijn meerderjarigheid. De contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder verlopen echter nog altijd grillig. Hoewel het de moeder steeds beter lukt om daarmee om te gaan en [minderjarige] dwingende en manipulerende gedrag te begrenzen, vraagt dit de nodige draagkracht en weerbaarheid van de moeder. Daarnaast heeft [minderjarige] nog altijd veel moeite om te accepteren dat hij niet bij zijn moeder en broertje of in ieder geval in hun omgeving kan wonen. De betrokkenheid van de GI blijft daarom nodig, zodat de moeder een regievoerder naast zich heeft staan en de juiste hulpverlening en ondersteuning worden voortgezet om [minderjarige] zo goed mogelijk te begeleiden richting zijn meerderjarigheid.
De kinderrechter heeft de verwachting dat de termijn van een jaar nodig zal zijn om te werken aan de door de GI gestelde doelen. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter moet beoordelen of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van een jaar moet worden verlengd (artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).
De kinderrechter acht de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. [minderjarige] is in januari 2019 uithuisgeplaatst, omdat de thuissituatie bij de moeder destijds onhoudbaar was geworden door ernstig grensoverschrijdend en zelfbepalend gedrag van [minderjarige] . De kinderrechter is met de GI en de moeder van oordeel dat [minderjarige] nu niet bij de moeder kan wonen. [minderjarige] heeft specialistische begeleiding nodig en krijgt dit bij [accomodatie 2] . Het gaat daar naar omstandigheden goed met hem. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van een jaar.
De kinderrechter merkt nog het volgende op. De raad heeft in zijn advies van [datum 1] vermeld dat de moeder slachtoffer is van de toeslagenaffaire. In antwoord op vragen van de kinderrechter heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling verteld dat de torenhoge schulden bij de Belastingdienst verstrekkende gevolgen voor haar gezin hebben gehad, waaronder spanningen en ruzies in het huwelijk, een echtscheiding, een depressie en een verbroken relatie. De moeder vraagt zich weleens af of zij [minderjarige] zonder de door de toeslagenaffaire ontstane situatie wél de voor hem benodigde structuur en begeleiding had kunnen bieden. De moeder staat daar dan echter niet te lang bij stil, omdat het voor de kinderen belangrijk is dat zij vooruitkijkt en de stappen blijft zetten die voor hen nodig zijn. De kinderrechter vindt het indrukwekkend hoe de moeder ondanks de ingrijpende gevolgen van de toeslagenaffaire vooruit blijft kijken en het belang van de kinderen op de voorgrond blijft zetten.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met ingang van 8 april 2023 tot 8 april 2024;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar, met ingang van 8 april 2023 tot 8 april 2024;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2023 door mr. G. Aarts, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Contermans, als griffier en schriftelijk vastgelegd op 7 april 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Conc: hc