Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
3.De beoordeling
4.De beslissing
geenrechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoekster, belanghebbende in zaken over verlenging van ondertoezichtstelling en bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing, diende een wrakingsverzoek in tegen de kinderrechter tijdens een zitting op 23 februari 2023. Zij stelde dat de rechter zich niet wilde identificeren, wat volgens haar duidde op partijdigheid.
De rechter weigerde zich te identificeren, maar gaf aan dat zij en de griffier zich hadden voorgesteld en in toga aanwezig waren, waardoor verzoekster kon aannemen dat zij bevoegd waren. De wrakingskamer beoordeelde dat het niet-identificeren geen aanwijzing is voor partijdigheid of schijn daarvan.
De wrakingskamer stelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat er geen concrete feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Het verzoek werd daarom zonder zitting ongegrond verklaard als kennelijk ongegrond, en het verzoek tot wraking werd afgewezen.
Tegen deze beslissing staat beroep open volgens artikel 39, vijfde lid, Rv.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete feiten die onpartijdigheid aantonen.