DESO, een voetbalvereniging, vorderde van de erfgenamen van haar voormalig penningmeester een bedrag van € 72.159,80 terug, omdat zij meende dat de terugbetalingen aan hem onrechtmatig waren en zonder rechtsgrond plaatsvonden. De penningmeester had gedurende zijn ambtstermijn grote sommen geld aan DESO geleend en ook bedragen aan zichzelf terugbetaald.
De rechtbank oordeelde dat DESO niet ontvankelijk was in haar vordering niet aannemelijk had gemaakt dat de terugbetalingen aan de penningmeester onder voorwaarden plaatsvonden, zoals dat terugbetaling pas hoefde te geschieden als de kantine voldoende winst maakte. De eerdere vonnissen en arresten betroffen andere bedragen en vorderingen en binden niet ten aanzien van de onderhavige terugbetalingen.
De rechtbank stelde vast dat de leningen in beginsel terstond opeisbaar waren en dat DESO onvoldoende feiten had gesteld om de stelling van een opschortende voorwaarde te onderbouwen. Ook het ontbreken van toestemming van het bestuur voor de terugbetalingen werd onvoldoende onderbouwd. Daarom was er geen sprake van onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling. DESO werd veroordeeld in de proceskosten.