De zaak betreft een minderjarige die zonder toestemming van de gezaghebbende moeder door de vader naar Nederland is meegenomen en daar feitelijk verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om een voorlopige ondertoezichtstelling van drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van deze ondertoezichtstelling.
De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, aangezien de gewone verblijfplaats van het kind nog in het buitenland ligt en Nederland bevoegd is voor spoedeisende maatregelen. De rechtbank constateert een ernstig vermoeden dat de grond voor ondertoezichtstelling is vervuld, mede gelet op de onduidelijke en mogelijk onveilige situatie bij de moeder in het buitenland, de psychische gezondheid en het middelengebruik van de moeder, en de ontwikkelingsachterstand van het kind.
De rechtbank acht het noodzakelijk en dringend om het kind voorlopig onder toezicht te stellen en het verblijf bij de vader te waarborgen door middel van een machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken. Het verhoor van belanghebbenden wordt gepland, en de beslissing op het resterende verzoek wordt aangehouden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep is mogelijk.