De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 17 januari 2023 een zaak betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de ouder zonder gezag, de vader. De minderjarige was op jonge leeftijd in meerdere landen gewoond en vertoonde een ontwikkelingsachterstand. De voorlopige ondertoezichtstelling was reeds op 6 januari 2023 uitgesproken, met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing tot 6 februari 2023.
De kinderrechter beoordeelde de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige nog in een niet-EU land lag. De Nederlandse autoriteiten waren bevoegd spoedeisende maatregelen te nemen omdat het kind zich in Nederland bevond.
De kinderrechter oordeelde dat de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging op goede gronden waren genomen, gezien de noodzaak tot direct ingrijpen. De situatie bij de vader was stabiel en bevorderlijk voor de ontwikkeling van het kind, ondanks dat de vader niet de juiste weg had bewandeld bij het wegnemen van het kind bij de moeder in het buitenland.
De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd tot 6 april 2023, de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, met het oog op het creëren van rust en stabiliteit voor het kind en het nader onderzoeken van het perspectief voor de toekomst.