Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
De rechtmatigheid van het bewijs.
De bewijsbeslissing.
waaromde cryptodata in de zaak van verdachte niet betrouwbaar moet worden geacht. Niet is onderbouwd dat de onderhavige cryptoberichten onjuist of onvolledig zijn weergegeven in het procesdossier. Verdachte heeft zich gedurende zijn strafproces op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft de inhoud van de berichten die door het openbaar ministerie aan hem worden toegeschreven dan ook op geen enkele wijze in twijfel getrokken. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de verdediging niet hoeft te bewijzen dat er fouten zijn gemaakt bij de verkrijging van de cryptodata, maar zij dient wel concrete aanknopingspunten aan te dragen waarom de inhoud van de data in onderzoek 26Alston onjuist of onvolledig is. Het verwijzen naar algemene richtlijnen en de aangehaalde uitlatingen van de officier van justitie LAP0797 volstaat in dat verband niet.
Dit is ook niet door de verdediging betwist. Wel is door de verdediging betwist dat de bijnaam ‘ [alias verdachte] ’ aan verdachte dient te worden gekoppeld. De rechtbank verwerpt dat verweer op grond van het volgende. Er zijn acht accounts die Realsand in hun toestel hebben opgeslagen met de nickname ‘ [alias verdachte] / [alias verdachte] ’. Nu vaststaat dat Realsand door verdachte gebruikt wordt, is daarmee ook gegeven dat verdachte wordt bedoeld wanneer over [alias verdachte] en [alias verdachte] wordt gesproken. Aan verdachte kan op basis van de bewijsmiddelen en de door de politie opgemaakte identificatie het SkyECC account SDMFKQ worden gekoppeld. Bij de verdere bespreking van het bewijs gaat de rechtbank steeds uit van deze identificaties.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en maatregel.
Beslag.
Voorlopige hechtenis.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
onder feit 4en meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en
spreekt hem daarvan vrij.
het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 Opiumwet
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
gevangenisstrafvoor de duur van
6 jaren met aftrekovereenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht
verbeurdverklaringvan het inbeslaggenomen goed, te weten:
onttrekking aan het verkeervan het inbeslaggenomen goed, te weten: