Eiseres ontving sinds augustus 2017 een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot. Verweerder trok deze uitkering per 1 januari 2019 in en vorderde het te veel betaalde bedrag terug, omdat eiseres volgens hem een gezamenlijke huishouding voerde met de broer van haar overleden echtgenoot vanaf december 2018.
Verweerder baseerde het besluit mede op een verklaring van eiseres tijdens een huisbezoek in juni 2022. Eiseres kwam hierop terug via een e-mail en gaf aan zich onder druk te hebben verklaard. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte doorslaggevende waarde heeft toegekend aan deze verklaring, mede omdat het gespreksverslag onvoldoende duidelijkheid biedt over het verloop en de omstandigheden van het gesprek.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen 1 januari 2019 en 31 december 2021. Wel is vastgesteld dat vanaf 1 januari 2022 sprake is van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg, waardoor de intrekking vanaf die datum terecht is.
Daarom vernietigt de rechtbank het besluit voor de periode 2019-2021 en bepaalt dat eiseres de uitkering over die periode niet hoeft terug te betalen. Verweerder moet de terugvordering opnieuw berekenen en opnieuw besluiten. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.