ECLI:NL:RBOBR:2023:266
Rechtbank Oost-Brabant
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde vrijstaande woonboerderij met negatieve liggingsaspecten
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woonboerderij uit 1737, die per waardepeildatum 1 januari 2020 is vastgesteld op €516.000. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2023 behandeld en beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld.
De heffingsambtenaar baseert de waardering op een taxatie van 9 oktober 2021 en gebruikt drie vergelijkingsobjecten, eveneens vrijstaande woonboerderijen in dezelfde plaats. De rechtbank oordeelt dat deze vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat er correcties zijn toegepast voor verschillen in bouwjaar, inhoud en bijgebouwen.
Eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met negatieve liggingsaspecten zoals nabijheid van een grondverwerkingsbedrijf, spuitzones van appelboomgaarden en beperkingen op bouwen. De rechtbank vindt dat een liggingscorrectie van 40% (niveau zeer slecht) in de taxatie deze aspecten adequaat weerspiegelt. Ook de onderhoudstoestand en asbestverwijdering zijn volgens de rechtbank voldoende in de waardering verwerkt.
Hoewel eiser een lagere grondprijs bepleit, constateert de rechtbank een omissie in de taxatie die juist in het voordeel van eiser uitpakt. Eiser heeft zijn waardestandpunt niet onderbouwd met een taxatierapport. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskosten af. Partijen is het recht op hoger beroep toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.