ECLI:NL:RBOBR:2023:2765

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
6 juni 2023
Zaaknummer
C/01/352946 / HA ZA 20-5
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling opbrengst verkoop onverdeeld perceel met meerdere eigenaren

In deze civiele zaak staat de eigendom en verdeling van de opbrengst van een onverdeeld perceel centraal. Eisers stellen dat zij eigenaar zijn van het gehele perceel, terwijl gedaagde 2 aanspraak maakt op een deel daarvan. De rechtbank heeft vastgesteld dat gedaagde 2 tot haar overlijden in 1926 eigenaar was van een deel van het perceel, maar dat niet is komen vast te staan hoe de nalatenschap is verdeeld.

De rechtbank overweegt dat sinds de verkoop van het perceel in 1942 aan een derde partij, en het daaropvolgende gebruik door eisers en hun rechtsvoorgangers, niemand gedurende circa 76 jaar aanspraak heeft gemaakt op een deel van het perceel. Dit leidt tot het oordeel dat eventuele rechthebbenden hun rechten hebben verwerkt. De stellingen en bewijs van gedaagde 2 zijn onvoldoende om eigendom aan te tonen.

De rechtbank wijst de vorderingen van gedaagde 2 af en bepaalt dat de opbrengst van het complex, na aftrek van kosten, verdeeld moet worden tussen eisers in gelijke delen. Daarnaast worden de proceskosten grotendeels gedragen door de gedaagde partijen die in het ongelijk zijn gesteld.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van gedaagde 2 af en bepaalt dat de opbrengst van het perceel wordt verdeeld tussen eisers in gelijke delen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/352946 / HA ZA 20-5
Vonnis van 7 juni 2023
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
3.
[eiser 3],
te [plaats] ,
4.
[eiser 4],
te [plaats] ,
5.
[eiser 5],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J.P. de Man te Rosmalen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
niet verschenen,

2.2. [gedaagde 2] ,

te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. M.F.J. Martens te 's-Hertogenbosch,

3.3. [gedaagde 3] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij in conventie,
niet verschenen,

4.4. [gedaagde 4] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij in conventie,
niet verschenen,

5.[gedaagde 5] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij in conventie,
niet verschenen,

6.[gedaagde 6] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij in conventie,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 26 oktober 2022;
  • de akte van [eisers] van 7 december 2022 met 1 productie;
  • de akte van [eisers] van 11 januari 2023 met 3 producties;
  • de akte van [gedaagde 2] van 18 januari 2023;
  • de antwoordakte van [eisers] van 1 maart 2023;
  • de antwoordakte van [gedaagde 2] van 1 maart 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

het verzoek herstel
2.1.
[gedaagde 2] heeft de rechtbank gevraagd bij haar akte van 18 januari 2023 het eerdere tussenvonnis van 26 oktober 2022 te verbeteren omdat daarin in r.o. 3.4. bij de weergave van de meer-subsidiaire vordering aan het einde van het zinsdeel “een verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap ten aanzien van perceel [perceelnummer 1] ” het volgende zinsdeel “zoals U Edelachtbaar College in goede justitie zal vermenen te behoren” ontbreekt.
2.2.
[eisers] zijn in de gelegenheid geweest om hierop te reageren, maar hebben dat niet gedaan. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [eisers] geen bezwaar hebben tegen het voormelde verzoek.
2.3.
Omdat, zoals hierna uit de overwegingen van de rechtbank volgt, alle vorderingen van [gedaagde 2] zullen worden afgewezen, volstaat de rechtbank hier met de verklaring dat aan de weergave van de meer-subsidiaire vordering van [gedaagde 2] in r.o. 3.4. de woorden: “zoals U Edelachtbaar College in goede justitie zal vermenen te behoren” ontbreekt en dat deze woorden als toegevoegd aan de meer-subsidiaire vordering van [gedaagde 2] moeten worden geacht.
de inhoudelijke beoordeling in conventie en in reconventie
2.4.
De vorderingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun nauwe samenhang in dit vonnis gezamenlijk behandeld.
2.5.
Bij tussenvonnis van 26 oktober 2022 heeft de rechtbank met betrekking tot de conventie onder andere geoordeeld dat [eisers] niet door verjaring of vererving de enige en volledige eigenaren zijn geworden van perceel [perceelnummer 1] . Daarnaast heeft zij overwogen dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat [eisers] door levering de enige en volledige eigenaren zijn geworden van dit perceel, maar alleen van 1/4e onverdeeld aandeel. De rechtbank heeft vervolgens [eisers] in de gelegenheid gesteld om bij akte, zo mogelijk onderbouwd met bewijsstukken uit het Kadaster, nadere informatie te geven over de eigenaren van de percelen [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] in de relevante periode. [eisers] hebben vervolgens aktes van 7 december 2022 en 11 januari 2023 genomen. Daarop heeft [gedaagde 2] bij akte van 1 maart 2023 gereageerd.
2.6.
Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank met betrekking tot de reconventie onder andere overwogen dat, als het standpunt van [gedaagde 2] is dat zij door overdracht eigenaar is geworden van 1/4e deel van perceel [perceelnummer 1] , dit niet uit de door [eisers] overgelegde stukken blijkt en dat [gedaagde 2] op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat zij en hoe zij door overdracht eigenaar is geworden. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat, als het standpunt van [gedaagde 2] is dat zij door vererving eigenaar is geworden, zij dit evenmin aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens [gedaagde 2] in de gelegenheid gesteld om haar standpunt dat zij recht heeft op 1/4e deel nader te onderbouwen en haar stellingen, zo mogelijk onderbouwd met bewijsstukken, nader toe te lichten. Dat heeft zij gedaan bij akte van 18 januari 2023. Daarop hebben [eisers] bij antwoordakte van 1 maart 2023 gereageerd.
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt.
Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het tussenvonnis van 26 oktober 2022 en de nadere ingenomen stellingen van partijen kan worden vastgesteld dat [gedaagde 2] (hierna [gedaagde 2] ) tot aan haar overlijden in 1926 eigenaar was van perceel [perceelnummer 1] en dat [A] (hierna: [A] ) op dat moment eigenaar was van perceel [perceelnummer 2] . Het is niet vast komen te staan of, en zo ja, op welke wijze [gedaagde 2] over haar nalatenschap heeft beschikt. [eisers] voeren aan dat het voor de hand ligt dat [gedaagde 2] en [A] elkaar over en weer in hun vermogen hadden vermaakt, maar dat is een aanname. Het zou kunnen dat [gedaagde 2] een testament heeft opgemaakt, waarin zij één of meerdere erfgenamen heeft aangewezen. Het is echter ook mogelijk dat zij geen testament heeft gemaakt, zodat haar erfgenamen dan haar broer [gedaagde 4] , haar zus [A] , de kinderen van haar in 1902 overleden zus [B] en haar zus [gedaagde 2] zijn. Het kan ook zijn dat, op [A] na, de overige erfgenamen de nalatenschap van [gedaagde 2] hebben verworpen.
2.8.
In 1942 verkoopt [A] perceel [perceelnummer 2] en perceel [perceelnummer 1] aan de heer [C] (hierna ( [C] ). Of dit het gehele perceel [perceelnummer 1] is of een gedeelte daarvan is niet duidelijk. Wel volgt uit de overgelegde leveringsakte van 23 maart 1942 (overgelegd bij dagvaarding als productie 3 en de transcriptie van De Man bij akte gedateerd op 24 december 2021) dat er slechts 1/4e deel van dit perceel aan [C] is geleverd.
2.9.
Of [A] bewust slechts 1/4e deel van perceel [perceelnummer 1] heeft verkocht en/of geleverd is niet duidelijk. Het kan zijn dat [A] de enige erfgenaam was van [gedaagde 2] en met [C] heeft afgesproken dat beide percelen geheel aan hem zouden worden verkocht, zoals door [eisers] wordt betoogd. In dit geval heeft de notaris een fout gemaakt door slechts 1/4e deel van dit perceel in de leveringsakte op te nemen. Een andere mogelijkheid is dat ook de overige erfgenamen van [gedaagde 2] hun deel hebben verkocht aan [C] , maar dat de levering van die delen (3/4e deel van perceel [perceelnummer 2] ) of bij afzonderlijke akte heeft plaatsgevonden of in het geheel niet heeft plaatsgevonden. Het kan ook zijn dat er geen fout is gemaakt door de notaris en dat [A] alleen haar deel heeft willen verkopen en leveren en dat de eventuele overige erfgenamen buiten deze verkoop zijn gebleven.
2.10.
[eisers] hebben onbetwist gesteld dat [C] en daarna de ouders van [eisers] het volledige complex (de percelen [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] samen) zelf hebben gebruikt, bewoond en bewerkt en zich altijd als eigenaar hebben gedragen. Ook na de verkoop van het complex aan [eisers] hebben zij en hun huurders beide percelen geheel gebruikt. Er kan, zo overweegt de rechtbank, van worden uitgegaan dat het de bedoeling was van ieder geval [C] en de ouders [eisers] beide percelen in hun geheel te verkopen en te leveren aan de opvolgend eigenaar. Of dit ook de bedoeling was van de eventuele overige rechthebbenden van 3/4e deel van perceel [perceelnummer 1] is onbekend. Deze eventuele overige rechthebbenden, hebben in ieder geval geen bezwaar gemaakt tegen het in gebruik nemen van het gehele perceel door [C] . Ook in de periode daarna heeft niemand op eigen initiatief aanspraak gemaakt op voornoemd 3/4e deel van perceel [perceelnummer 1] . Pas in het kader van het verzoek van [eisers] c.s aan de rechtbank om afgifte van een machtiging tot verkoop van het complex in 2018, heeft [gedaagde 2] aanspraak gemaakt op een deel van perceel [perceelnummer 1] . Dit betekent dat, zoals ook door [eisers] wordt gesteld, vanaf het moment van de koop en ingebruikname van de percelen aan [C] in 1942 tot het moment van verweer voeren tegen de verzocht machtiging tot verkoop in 2018, gedurende ongeveer 76 jaar niemand kenbaar heeft gemaakt ook aanspraken te kunnen maken op (een deel van) perceel [perceelnummer 1] . Dit wordt ook zo door [eisers] gesteld. De rechtbank begrijpt hieruit dat [eisers] (ook) een beroep doen op rechtsverwerking of afstand van recht.
2.11.
Gelet op voornoemd tijdsverloop in samenhang met:
  • de omstandigheid dat [gedaagde 2] niet op de hoogte was van een mogelijke aanspraak op een deel van perceel [perceelnummer 1] totdat zij op de hoogte werd gesteld van haar vermelding als rechthebbende in het kadaster;
  • de omstandigheid dat [gedaagde 2] niet heeft kunnen uitleggen hoe het kan dat haar naam wel, maar de naam van haar vader en/of zus niet in het Kadaster wordt genoemd;
  • de omstandigheid dat [gedaagde 2] niet heeft kunnen uitleggen hoe het kan dat haar aandeel in perceel [perceelnummer 1] 1/4e deel zou zijn, terwijl uit het ‘Agandau Onderzoek’ volgt dat er zeer veel andere mogelijke erfgenamen van [A] en/of [gedaagde 2] moeten zijn, die niet in het Kadaster als rechthebbende staan vermeld;
  • de omstandigheid dat de personen die uitleg zouden kunnen geven over de gang van zaken in 1942 en in de periode daarvoor (te weten [A] , [gedaagde 2] , hun broer, hun zus en de kinderen van hun in 1902 overleden zus, [C] en wellicht de notaris) inmiddels zijn overleden;
is de rechtbank van oordeel dat de eventuele rechthebbenden (en hun rechtsopvolgers/erfgenamen) op een deel van het perceel [perceelnummer 1] hun recht hebben verwerkt om thans nog aanspraak te kunnen maken op een deel van de verkoopopbrengst van dit perceel.
2.12.
De rechtbank is van oordeel dat het verweer van [gedaagde 2] dus niet slaagt en haar standpunt dat zij aanspraak kan maken op een deel van de opbrengst niet wordt gevolgd. Dat het ‘Agandau Onderzoek’ niet volledig zou zijn en dat haar naam in het uittreksel van het Kadaster uit 2010 staat vermeld, maken dat niet anders. De overige gedaagden zijn niet in deze procedure verschenen en hebben dus geen verweer gevoerd. En hoewel [eisers] niet hebben kunnen aantonen dat hun rechtsvoorgangers (in ieder geval [C] en ouders [eisers] ) het gehele perceel [perceelnummer 1] door overdracht hebben verkregen, is de rechtbank van oordeel dat zij toch aanspraak kunnen maken op de gehele netto verkoopopbrengst. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat er geen derden zijn die thans nog aanspraak mogen maken op (de opbrengst van) een deel van perceel [perceelnummer 1] . De vordering van [eisers] wordt in zoverre toegewezen.
De conclusie
2.13.
In het tussenvonnis van 26 oktober 2022 zijn in rechtsoverweging 3.1. en 3.4. de vorderingen van partijen weergegeven.
2.14.
De door [eisers] gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat [eisers] door levering eigenaren zijn geworden van het gehele complex en omdat van vererving en verjaring geen sprake is. De vordering van [eisers] dat de rechtbank bepaalt dat de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap moet worden verdeeld tussen [eisers] zal worden toegewezen, met uitzondering van de bepaling dat er sprake is van een tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap gelet op het voorgaande.
2.15.
De vorderingen van [gedaagde 2] zullen allemaal worden afgewezen. Bij de gevorderde verklaring voor recht dat [eisers] is gerechtigd tot de opbrengst uit hoofde van de verkoop van perceel [perceelnummer 2] en de vordering dat de rechtbank bepaalt dat de opbrengst uit hoofde van de verkoop van perceel [perceelnummer 2] de helft bedraagt van het onder de notaris aanwezige bedrag, heeft [gedaagde 2] geen belang. [gedaagde 2] heeft namelijk geen rechten geclaimd ten aanzien van dat perceel. De gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de opbrengst van perceel [perceelnummer 1] zal gelet op het voorgaande (zowel primair, subsidiair en meer subsidiair) worden afgewezen. Dat betekent dat [gedaagde 2] ook geen belang (meer) heeft bij de vordering dat de rechtbank bepaalt dat de opbrengst uit hoofde van de verkoop van perceel [perceelnummer 1] de helft bedraagt van het onder de notaris aanwezige bedrag.
2.16.
De gedaagde partijen zijn de partijen die grotendeels ongelijk krijgen en zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eisers] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
103,10
- griffierecht
297,00
- salaris advocaat
1.794,00
(3 punten × € 598,00)
Totaal
2.194,10
Deze kosten dienen als volgt door gedaagden te worden gedragen:
Gedaagde sub 1 (verstek): € 166,35 (1/6 dagvaarding + 1/6 griffierecht + 1/6 punt salaris)
Gedaagde sub 3 (verstek): € 166,35 (1/6 dagvaarding + 1/6 griffierecht + 1/6 punt salaris)
Gedaagde sub 4 (verstek): € 166,35 (1/6 dagvaarding + 1/6 griffierecht + 1/6 punt salaris)
Gedaagde sub 5 (verstek): € 166,35 (1/6 dagvaarding + 1/6 griffierecht + 1/6 punt salaris)
Gedaagde sub 6 (verstek): € 166,35 (1/6 dagvaarding + 1/6 griffierecht + 1/6 punt salaris)
[gedaagde 2] (verschenen): € 1.362,35 (de hierboven berekende proceskosten met aftrek van hetgeen moet worden gedragen door de niet-verschenen gedaagden).
2.17.
[gedaagde 2] is de partij die in reconventie ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eisers] als volgt vastgesteld:
- salaris advocaat
747,50
(2,50 punten × factor 0,5 × € 598,00)
Totaal
747,50

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
bepaalt dat de opbrengst van het complex, welke zich bevindt onder notariskantoor mevr. Mr. T. de Groot te Moergestel, na aftrek van de betrokken kosten, dient te worden verdeeld tussen [eisers] in gelijke delen zodat ieder 1/5e gedeelte daarvan dient te ontvangen,
3.2.
veroordeelt gedaagde sub 1 in haar aandeel in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 166,35,
3.3.
veroordeelt gedaagde sub 3 in zijn aandeel in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 166,35,
3.4.
veroordeelt gedaagde sub 4 in zijn aandeel in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 166,35,
3.5.
veroordeelt gedaagde sub 5 in zijn aandeel in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 166,35,
3.6.
veroordeelt gedaagde sub 6 in zijn aandeel in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 166,35,
3.7.
veroordeelt [gedaagde 2] in haar aandeel in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.362,35,
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.10.
wijst de vorderingen van [gedaagde 2] af,
3.11.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 747,50.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.