ECLI:NL:RBOBR:2023:3117
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking SOIT-subsidie wegens niet-naleving arbeidsverhouding
Eiser, een medisch specialist die van vrijgevestigde status naar loondienst is overgegaan, kreeg een SOIT-subsidie toegekend. Na een nacontrole trok de minister de subsidie in en stelde deze op nihil vanwege het niet voldoen aan de verplichting om vier jaar uitsluitend in loondienst te zijn bij een zorgaanbieder. Eiser werkte gedurende een deel van de periode bij een coöperatie, die volgens de SOIT geen zorgaanbieder is.
Eiser voerde aan dat de regeling onduidelijk was en dat de uitsluiting van coöperaties niet expliciet genoeg was vermeld, waardoor hij te goeder trouw handelde. Ook stelde hij dat de volledige intrekking onevenredig was en dat de regeling onverbindend verklaard moest worden. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende verantwoordelijkheid droeg om navraag te doen en dat de minister terecht de subsidie introk en terugvorderde.
De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie die de vierjaarsverplichting bevestigt en wees het beroep af. De belangenafweging door de minister was proportioneel en eiser had geen aannemelijk gemaakt dat hij door de terugvordering in financiële problemen zou komen. De subsidie werd daarom terecht ingetrokken en op nihil gesteld.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de SOIT-subsidie wordt ongegrond verklaard.