ECLI:NL:RBOBR:2023:3387
Rechtbank Oost-Brabant
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Schorsing concurrentiebeding audicien wegens onbillijke benadeling werknemer
De zaak betreft een kort geding tussen een audicien en haar voormalige werkgever Beter Horen over de schorsing van een concurrentie- en relatiebeding. De audicien is sinds 2018 in dienst geweest en wil overstappen naar een directe concurrent binnen het geografisch gebied van het beding. Zij vordert schorsing van het concurrentiebeding of een billijke vergoeding.
Beter Horen stelt dat het concurrentiebeding noodzakelijk is ter bescherming van haar bedrijfsdebiet, waaronder knowhow en klantbinding, en wijst op de investering in opleiding en het belang van klantrelaties in de concurrerende audicienbranche. De audicien betwist dat zij over concurrentiegevoelige informatie beschikt en benadrukt haar belang bij de overstap vanwege betere arbeidsvoorwaarden en haar zorgplicht als alleenstaande moeder.
De kantonrechter oordeelt dat Beter Horen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de audicien beschikt over essentiële bedrijfsgeheimen of dat er een zodanige klantbinding bestaat dat het bedrijfsdebiet wordt geschaad. Het concurrentiebeding beperkt de vrijheid van arbeidskeuze en is daarom alleen toelaatbaar als het zwaarwegende belangen beschermt. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de audicien onbillijk wordt benadeeld en het concurrentiebeding wordt geschorst. Het relatiebeding wordt niet geschorst. Beter Horen wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt geschorst omdat het de werknemer onbillijk benadeelt en Beter Horen onvoldoende belang bij handhaving heeft aangetoond.