In de zaak met nummer C/01/393721 JE RK 23-775 diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen mr. V.M. Smits, rechter in de rechtbank Oost-Brabant, vanwege vermeende partijdigheid bij beslissingen omtrent de schriftelijke aanwijzing voor haar minderjarige kind.
Het verzoek was gebaseerd op het standpunt dat er geen normale communicatie was geweest met de jeugdbescherming en dat de uithuisplaatsing op 12 oktober 2022 onterecht was. Verzoekster stelde dat de rechter onpartijdigheid ontbeerde omdat eerdere beslissingen niet ter discussie mochten worden gesteld, wat een eerlijk proces onmogelijk maakte.
De rechter reageerde dat rechtsmiddelen openstonden tegen de beslissingen en dat het wrakingsverzoek ongegrond was. De wrakingskamer oordeelde dat wraking niet kan worden ingesteld tegen rechterlijke tussenbeslissingen en dat er geen concrete feiten waren die vooringenomenheid aannemelijk maakten.
Daarnaast werd vastgesteld dat verzoekster hetzelfde wrakingsverzoek al eerder had ingediend en afgewezen zag worden, waardoor het herhaalde verzoek misbruik van het wrakingsinstrument vormde en de rechtspleging onredelijk vertraagde.
De wrakingskamer bepaalde dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.