De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 21 september 2023 het beroep tegen de ambtshalve wijziging van een watervergunning voor het onttrekken van grondwater op een perceel. Het college had de vergunning gewijzigd en de tenaamstelling aangepast, met nieuwe voorschriften. AsfaltNu Beheer C.V. en [bedrijf] voerden aan dat zij belanghebbenden waren en dat het college onvoldoende had onderzocht of de wijziging de verspreiding van grondwaterverontreiniging zou beïnvloeden.
De rechtbank oordeelde dat AsfaltNu Beheer C.V. en [bedrijf] geen belanghebbenden zijn en verklaarde hun beroep niet-ontvankelijk. Daarentegen erkende de rechtbank dat [bedrijf] en BIM wel belanghebbenden zijn en dat het college bij het besluit had moeten onderzoeken of de wijziging gevolgen had voor de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem. Dit onderzoek ontbrak, waardoor het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Verder wees de rechtbank het beroep af dat het college een voorschrift had moeten verbinden aan de vergunning voor financiële zekerheid, en dat de provinciale beleidsregel grondwaterbeheer van toepassing was op deze wijziging. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan [bedrijf] en BIM.
De uitspraak benadrukt dat bij ambtshalve wijzigingen van watervergunningen het bevoegd gezag altijd moet nagaan of de handeling waarvoor de vergunning is verleend nog toelaatbaar is, mede gelet op de bescherming van het watersysteem en de mogelijke gevolgen van grondwaterverontreiniging.