In deze civiele bodemzaak staat de geschilvraag centraal over een BKR-registratie die de bank heeft geplaatst na beëindiging van de relatie met de wederpartij wegens vermeende misleiding en mogelijke fraude. De wederpartij vorderde bij verstek de verwijdering van deze registratie en opschorting van executiemaatregelen, wat werd toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De bank kwam in verzet tegen het verstekvonnis en verzocht in een incident om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling tot verwijdering van de BKR-registratie. De rechtbank toetste dit verzoek aan de maatstaf van de Hoge Raad en concludeerde dat het belang van de bank en andere financiële instellingen bij handhaving van de registratie, gezien het verhoogde kredietrisico door onwaarheden van de wederpartij, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij verwijdering.
De rechtbank wees de schorsing van de dwangsomveroordeling af omdat daar geen aanleiding voor was. De bank mocht de registratie niet voor recht laten verklaren in het incident, dit behoort tot de hoofdzaak. De wederpartij werd veroordeeld in de proceskosten van het incident. De zaak wordt op 22 november 2023 opnieuw op de rol gezet voor beraad over een mondelinge behandeling.