ECLI:NL:RBOBR:2023:5432

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
WR 23/027
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 322 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens onvoldoende aanwijzingen partijdigheid

Verzoeker, verdachte in een strafzaak, heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de meervoudige strafkamer vanwege eerdere betrokkenheid bij een andere zaak waarin getuigen van verzoeker als ongeloofwaardig werden beoordeeld. Tevens werden procedurele beslissingen aangevoerd die volgens verzoeker de onpartijdigheid van de rechter aantasten.

De wrakingskamer oordeelt dat het enkele feit dat de rechter eerder betrokken was bij een andere zaak met dezelfde getuigen onvoldoende is om partijdigheid aan te nemen. De rechter wordt geacht elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen. Ook de overige aangevoerde omstandigheden, zoals het beluisteren van opnames buiten processtukken en voorzittersbeslissingen, zijn niet zwaarwegend genoeg om de schijn van vooringenomenheid te rechtvaardigen.

De wrakingskamer concludeert dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de onpartijdigheid van de rechter aantasten en wijst het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens onvoldoende aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 23/027

Beslissing van 21 november 2023

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

te P.I. Achterhoek.
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. F.L.C. Schoolderman
strekkende tot de wraking van

mr. M.M.L.A.T. Doll, in haar hoedanigheid van rechter,

hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1
Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 01/880162-18.
1.2
Op 27 oktober 2023 heeft de mondelinge behandeling van de strafzaak plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft de advocaat van verzoeker de voorzitter van de meervoudige strafkamer, zijnde de rechter, gewraakt.
De rechter heeft een reactie (d.d. 30 oktober 2023) op het wrakingsverzoek ingezonden.
1.3
Op 9 november 2023 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek op zitting behandeld. Hierbij waren de advocaat van verzoeker en de rechter aanwezig.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2023 blijkt dat verzoeker, kort weergegeven, de volgende feiten en omstandigheden aan het verzoek tot wraking ten grondslag legt:
- De voorzitter heeft eerder onderdeel uitgemaakt van de combinatie van de rechtbank die uitspraak heeft gedaan in de A73-zaak, waarin reeds is geoordeeld over de betrouwbaarheid van in onderhavig onderzoek cruciale en door de rechtbank ambtshalve toegewezen getuigen. Het vonnis in de A73-zaak is vernietigd;
- De voorzitter heeft de voortvarendheid van het onderhavige onderzoek geblokkeerd door de wijze waarop de beslissingen zijn genomen, zijnde voorzittersbeslissingen;
- Door de voorzitter is ter terechtzitting aangegeven dat voor de volgende terechtzitting de medebrenging van cliënt relevant is. Dit betreft ook een voorzittersbeslissing. Daarbij is door de voorzitter de opmerking gemaakt dat het van belang is of cliënt gaat praten of niet;
- De voorzitter heeft de OVC-opnames beluisterd, die geen onderdeel uitmaken van de processtukken;
- De omstandigheid dat vandaag de hele dag gereserveerd was voor deze zaak, maar dat daarvan kennelijk geen gebruik wordt gemaakt.
2.2
De rechter berust niet in de wraking. In haar reactie heeft de rechter aangegeven dat het gegeven dat zij deel uitmaakte van de zittingscombinatie in de A73-zaak niet maakt dat alleen daaruit al zou blijken dat zij vooringenomen is dan wel daaruit de schijn van vooringenomenheid zou blijken. Niet alleen staat de A73-zaak in geen enkele relatie tot de zaak van verzoeker, ook behandelt de rechter elke zaak op zijn merites. De verklaringen van de vader en neef in de zaak van verzoeker worden dan ook alleen in het licht van de zaak van verzoeker beoordeeld. Dat de rechter ooit, 13 jaar geleden, (geheel andere) verklaringen van deze personen in een geheel andere zaak heeft beoordeeld, maakt dat volgens de rechter niet anders. Voor wat betreft de overige omstandigheden merkt de rechter op dat de beslissing over de opnames zijn genomen voordat zij onderdeel was van de zittingscombinatie in deze zaak. Zij ziet daarom niet in hoeverre dit haar onpartijdigheid kan raken. En uit artikel 322 van Pro het Wetboek van Strafvordering volgt dat de zaak opnieuw moet aanvangen als één van de leden van de zittingscombinatie niet aanwezig is geweest bij de eerdere inhoudelijke behandeling. Tot slot merkt de rechter op dat de reden van het bevel medebrenging is gelegen in het feit dat verzoeker in zijn zaak nooit als verdachte is gehoord. Aan een verdachte in een zaak over een levensdelict dient de kans te worden geboden om te worden gehoord.

De beoordeling

3.1
Artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker aan zijn verzoek tot wraking geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die een aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de rechter. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.
3.3
Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2023, de overhandigde pleitnota van de wrakingszitting van 9 november 2023 en hetgeen ter zitting is toegelicht, maakt de wrakingskamer op dat de belangrijkste reden voor verzoeker om de rechter te wraken is gelegen in het feit dat de rechter deel uitmaakte van de meervoudige kamer van de rechtbank in de zogenoemde A73-zaak. In die zaak heeft de rechtbank de verklaringen van de verdachten, zijnde de vader en de neef van verzoeker, als ongeloofwaardig aangemerkt en de verdachten veroordeeld. Dat vonnis is nadien in hoger beroep vernietigd en de verdachten zijn vrijgesproken. De vader en de neef van verzoeker zullen getuigen zijn in de zaak van verzoeker. Omdat de rechter deel uitmaakte van de meervoudige kamer van de rechtbank die de verklaringen van de vader en de neef van verzoeker als ongeloofwaardig heeft aangemerkt en de vader en de neef van verzoeker in de onderhavige zaak als getuigen zullen worden gehoord, kan de rechter volgens verzoeker niet onpartijdig zijn in de onderhavige zaak, althans bestaat de schijn van partijdigheid. Daar komen volgens verzoeker de hiervoor onder 2.1 genoemde omstandigheden bij. De gang van zaken in aanloop naar de zitting van 27 oktober 2023 riep nogal wat vragen op. Zo werd kort voor de zitting medegedeeld dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw moest aanvangen, werd bepaald dat voor een volgende zitting een bevel medebrenging zou worden gegeven en zijn door de rechtbank opnames beluisterd die niet tot de processtukken behoren. Dat zijn volgens verzoeker omstandigheden die bijdragen aan de schijn van vooringenomenheid van de rechter.
3.4
Zoals hiervoor weergegeven, wordt een rechter vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid bestaat grond voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is het feit dat de rechter één van de rechters was in de meervoudige kamer van de rechtbank in de A73-zaak, die in die zaak de verklaringen van de vader en de neef van verzoeker – verdachten in die zaak – als ongeloofwaardig heeft aangemerkt (en de verdachten heeft veroordeeld), terwijl de vader en de neef van verzoeker in de onderhavige zaak als getuigen zullen worden gehoord, onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van zulke bijzondere omstandigheden. [1] De rechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling geacht iedere zaak op zijn eigen merites te beoordelen. Dat impliceert dat, als de verklaring van een persoon in de ene zaak ongeloofwaardig wordt bevonden, een verklaring van diezelfde persoon in een andere zaak niet zonder meer ook als ongeloofwaardig wordt aangemerkt. Er is pas reden voor een ander oordeel als uit bijzondere omstandigheden blijkt dat de rechter wel vooringenomen is ten aanzien van de verklaring van die persoon of dat daaruit de objectieve schijn van vooringenomenheid ten aanzien van die verklaring blijkt.
3.5
De door verzoeker aangevoerde overige omstandigheden volstaan daartoe niet. Dat betreffen voornamelijk procedurele c.q. regie beslissingen die als zodanig geen grond voor wraking kunnen zijn. Daargelaten dat deze beslissingen door de meervoudige kamer zijn genomen, en niet (enkel) door de rechter, vormen deze beslissingen, ook indien deze in onderling verband en samenhang met elkaar en met de omstandigheid dat de rechter deel uitmaakte van de kamer van de rechtbank in de A73, worden beschouwd, onvoldoende reden om (de objectieve gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid van de rechter aan te nemen. De omstandigheid dat de rechter – evenals de andere rechters van de meervoudige kamer – een poging heeft gedaan om de OVC-opnames te beluisteren, maakt dat niet anders.
3.6
De conclusie is dat het wrakingsverzoek ongegrond is en dient te worden afgewezen.

De beslissing

De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. C. Wijsman, voorzitter, mr. J.H. Wiggers en
mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 21 november 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2002, ECLI: NL:HR:2002:AD4004.