In deze civiele procedure vorderen de erfgenamen van een overleden vrouw betaling van een resterend bedrag uit een geldleningsovereenkomst van gedaagde, die in het buitenland woont. Gedaagde stelt dat eiser niet bevoegd is te procederen en vordert niet-ontvankelijkheid, stellende dat alleen de executeur testamentair bevoegd is. De rechtbank oordeelt dat de vordering niet in hoedanigheid van erfgenamen, maar op grond van een zelfstandige overeenkomst wordt ingesteld, zodat de niet-ontvankelijkheid wordt afgewezen.
Daarnaast vordert gedaagde deponering van het originele exemplaar van de overeenkomst en inzage van de originele partijexemplaren, omdat hij betwist dat de overgelegde schuldbekentenis authentiek is zonder zijn toevoeging “onder protest”. De rechtbank wijst deze vordering toe, behalve de inzage, omdat het belang daarvan onvoldoende is onderbouwd.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt op 3 januari 2024 voortgezet voor conclusie van antwoord. Het vonnis is gewezen door rechter E.J.C. Adang en op 22 november 2023 uitgesproken.