Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De tenlastelegging.
Inleiding.
- [medeverdachte 1] ;
- [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] );
- [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] );
- [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] );
- [medeverdachte 5] .
- het medeplegen van gewoontewitwassen van onroerend goed in eigendom bij hemzelf (feit 1);
- het medeplegen van gewoontewitwassen van onroerend goed dat in eigendom is bij anderen (feit 2);
- het medeplegen van witwassen van € 351.391,- (feit 3);
- het medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd (feit 4);
- deelname aan een criminele organisatie, als leider van die organisatie (feit 5);
- het medeplegen van oplichting (feit 6).
3.De formele voorvragen.
4.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
5.De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
- [medeverdachte 5] geen legale bron van inkomsten was, omdat valsheid in geschrifte en/of oplichting ten grondslag ligt aan het bestaan van deze onderneming;
- verdachte investeringen heeft gedaan in [medeverdachte 5] met geld dat afkomstig is uit enig misdrijf;
- verdachte de werkelijke rechthebbende is ten aanzien van alle in de tenlastelegging genoemde panden of percelen, ook voor zover die panden of percelen op naam van derden staan;
- verdachte investeringen heeft gedaan in onroerend goed met geld dat afkomstig is uit enig misdrijf.
nietde rol van directeur/bestuurder vervulde binnen [medeverdachte 5] . Dit brengt ook met zich mee dat de rechtbank het salaris van [medeverdachte 1] niet als fictief beschouwd. Dat zij daarnaast nauwelijks andere werkzaamheden verrichtte of dat verdachte juist de meeste werkzaamheden binnen [medeverdachte 5] verrichtte, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat de activiteiten van [medeverdachte 5] beperkt waren en voor geen van de betrokkenen een dagtaak inhielden. Aan de omstandigheid dat [medeverdachte 1] over de dagelijkse gang van zaken binnen [medeverdachte 5] weinig kon verklaren tijdens de verhoren, kent de rechtbank dan ook geen relevante betekenis toe.
[adres 14] , [adres 27] , [adres 28] , [adres 29] , [adres 17] , [adres 18] , [adres 19] en [adres 20] , [adres 21]) en van [medeverdachte 2] (
[adres 30]). Uit het dossier blijkt dat zij de voor de aankoop benodigde financiële middelen hebben verschaft, al dan niet door het aangaan van hypothecaire geldleningen bij de bank. Zij hebben aldus de bijbehorende financiële risico’s gedragen. Verder blijkt uit het dossier dat, voor zover de panden na de aankoop werden verhuurd, de huurpenningen aan hen toekwamen, op één uitzondering na.
€ 220.000,-. De koopsom en bijkomende kosten zijn vanaf een rekening van verdachte overgemaakt naar de notaris. [13] Uit onderzoek naar de bankafschriften is gebleken dat dit bedrag vrijwel volledig afkomstig is van een bankrekening van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en dat dit bedrag ziet op een hypothecaire lening voor de financiering van het pand aan de [adres 31] in Oss ten behoeve van [medeverdachte 1] .
€ 11.780,50
€ 100.000,-. Het appartement wordt gefinancierd met geld dat onder andere afkomstig is uit huurinkomsten (1) en verdiensten uit [medeverdachte 5] (2). Daarnaast is € 30.000,- indirect afkomstig uit een hypothecaire geldlening op naam van [medeverdachte 1] . Die financiering is verkregen door oplichting van de bank, door de bank een valse voorstelling te geven over [medeverdachte 5] (3).
- [medeverdachte 1] heeft als vertegenwoordiger van [medeverdachte 5] haar handtekening onder de huurovereenkomst gezet, terwijl dit bedrijf feitelijk van verdachte was en;
- de huurovereenkomst is niet op 1 december 2008 ondertekend, terwijl dit wel zo in de huurovereenkomst staat vermeld.
MA. 11/6 nw strook i.v.m. hyp. aanvraag’ en ‘
per 1.5.2018 € 2.700,- bruto 32 uur (AO-aanpassen) onbep. tijd’ en ‘
2700 x 12,96 = 34.992’. De aanpassingen in het aangetroffen addendum bij de arbeidsovereenkomst komen overeen met de aantekeningen op de salarisstrook.
nettoloon [betrokkene] is contant retour ontv”. Op vragen van de belastingdienst over deze boeking is aangegeven dat dit te veel betaald salaris aan [betrokkene] betreft over de maanden oktober en november 2018. [57]
€ 789,- naar € 2.700,- bruto per maand. Ook hier is geen verklaring voor gegeven. Gelet op de boeking in de administratie van [medeverdachte 5] met daarbij de omschrijving “
nettoloon [betrokkene] is contant retour ontv”, de onjuiste beantwoording van vragen daarover richting de belastingdienst en de WhatsApp-berichten tussen verdachte en [betrokkene] gaat de rechtbank ervan uit dat [betrokkene] een deel van het ontvangen salaris contant aan verdachte of [medeverdachte 1] heeft terugbetaald.
6.De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van de feiten.
8.De strafbaarheid van verdachte.
9.Oplegging van straf.
10.Beslag.
gevangenisstrafvoor de duur van
316 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.