De werknemer trad op 1 maart 2022 in dienst bij de werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die op 21 februari 2023 werd voortgezet voor onbepaalde tijd. De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op 21 maart 2023 op met een opzegtermijn tot 20 april 2023, maar betaalde het loon door tot 12 augustus 2023 en startte een ontslagprocedure bij het UWV. Het UWV verleende geen toestemming voor ontslag. De werknemer stelde dat de arbeidsovereenkomst op 12 augustus 2023 eindigde en diende binnen twee maanden na die datum een verzoek tot vernietiging van de opzegging in.
De werkgever betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek en stelde dat de arbeidsovereenkomst op 20 april 2023 was geëindigd. De kantonrechter oordeelde dat door het doorbetalen van loon en het starten van de UWV-procedure de werkgever vertrouwen heeft gewekt dat de arbeidsovereenkomst niet op 20 april 2023 was geëindigd, maar op 12 augustus 2023. Hierdoor was het verzoek tijdig ingediend.
De kantonrechter stelde vast dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat geen toestemming van het UWV was verkregen en de werknemer niet had ingestemd. De opzegging werd vernietigd, de arbeidsovereenkomst bleef van kracht en de werkgever werd veroordeeld tot betaling van loon vanaf 13 augustus 2023, inclusief wettelijke rente en verstrekking van correcte salarisspecificaties. De gevorderde incassokosten werden afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.