In deze bestuursrechtelijke zaak bij de Rechtbank Oost-Brabant verzoeken omwonenden en Groengas Brabant V.O.F. een wijziging en opheffing van een voorlopige voorziening die eerder was getroffen in een tussenuitspraak van 22 december 2022. De voorzieningenrechter wijst deze verzoeken af, maar schorst het besluit van het college van gedeputeerde staten van 22 december 2022 waarin de begunstigingstermijn van een handhavingsbesluit werd verlengd.
De voorzieningenrechter overweegt dat de voorlopige voorziening in de tussenuitspraak onder voorwaarden was geschorst, maar door de verlenging van de begunstigingstermijn door het college vervalt de werking van die schorsing. Hierdoor kan Groengas tijdens de begunstigingstermijn geen dwangsom verbeuren, wat het doel van de voorlopige voorziening ondermijnt. Daarom wordt het besluit van het college geschorst tot de einduitspraak in de hoofdzaken.
Verder behandelt de voorzieningenrechter de klachten van omwonenden over geluidsoverlast, geuroverlast en vermeende nieuwe overtredingen door funderingswerkzaamheden. Gezien het ontbreken van een geluidmeting en onduidelijkheid over de vergunningplicht voor de funderingen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. Ook het verzoek van Groengas om de voorlopige voorziening te wijzigen om een nieuw gasveredelingsstation te plaatsen wordt afgewezen omdat dit buiten de omvang van het geschil valt.
De voorzieningenrechter legt de nadruk op het belang van openheid en overleg tussen Groengas en omwonenden om het vertrouwen te herstellen. Tot slot worden de proceskosten van verzoekers toegewezen en het griffierecht vergoed.