Eiser, voormalig chauffeur, werd door het UWV per 31 maart 2022 geïnformeerd dat zijn WIA-uitkering per 1 juni 2022 zou worden beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser betwistte dit besluit en stelde dat zijn medische situatie onvoldoende was onderkend, met name zijn klachten bij geluid, gehoorproblemen, geheugen- en concentratieproblemen, en andere fysieke beperkingen.
De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) de medische belastbaarheid van eiser op 1 juni 2022 overtuigend had vastgesteld, waarbij de klachten van eiser waren meegewogen. Er was geen objectieve medische onderbouwing voor verdere beperkingen. De arbeidsdeskundige B&B had vastgesteld dat eiser niet geschikt was voor zijn eigen werk, maar wel voor drie gelijksoortige functies zonder kenmerkende geluidsbelasting, wat de rechtbank voldoende gemotiveerd vond.
Het UWV had echter geen rekening gehouden met de aanzegtermijn voor het beëindigen van de uitkering, waardoor de rechtbank oordeelde dat de uitkering onterecht per 1 juni 2022 was beëindigd. De voorlopige voorziening die de uitkering verlengde tot 19 januari 2023 werd door de rechtbank overgenomen. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.