ECLI:NL:RBOBR:2023:5791

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
WR 23/028
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvWetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden

Verzoekster, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen drie strafrechters vanwege vermeende vooringenomenheid en schending van het recht op een eerlijk proces. Het verzoek was gebaseerd op een beslissing over het horen van een getuige met 'special needs' en vermeende ongelijke behandeling tijdens de pro forma-zitting.

De wrakingskamer oordeelde dat de vermeende tweede beslissing over het horen van de getuige geen nieuwe, afwijkende beslissing betrof, maar een toelichting op de ter zitting genomen beslissing. Daarnaast werden de overige aangevoerde gronden, zoals het ontbreken van een tweede termijn voor de verdediging en de wijze van behandeling van het verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis, niet als aanwijzingen voor partijdigheid beschouwd.

De wrakingskamer benadrukte dat rechterlijke (tussen)beslissingen in principe geen grond vormen voor wraking, tenzij bijzondere omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren. Dit was niet het geval. Het verzoek werd daarom afgewezen en de beslissing is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 23/028

Beslissing van 20 november 2023

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] ,

te [verblijfplaats] .
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. N.C.J. Meijering
strekkende tot de wraking van

mr. E. Boersma,

mr. A. Bernsen,
mr. M.J.C. van der Vegte,
in hun hoedanigheid van strafrechter, hierna te noemen: de rechters.

De procedure

1.1
Verzoekster is verdachte in de strafzaak met parketnummer [nummer] .
1.2
Op 27 september 2023 heeft een pro forma-behandeling van de strafzaak plaatsgevonden. Het proces-verbaal van deze zitting is op 27 oktober 2023 door de advocaat ontvangen.
1.3
Op 30 oktober 2023 heeft de advocaat namens verzoekster een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend.
1.4
Op 9 november 2023 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek op zitting behandeld. Hierbij waren verzoekster en haar advocaat aanwezig. De rechters zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.

De ontvankelijkheid van het verzoek

2. Een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven, zich hebben voorgedaan. Namens verzoekster is gesteld, en dit is niet betwist door de rechters, dat de verdediging het proces verbaal van de zitting van 27 september 2023 op 27 oktober 2023 heeft ontvangen. Het wrakingsverzoek is op 30 oktober 2023 ingediend. De wrakingskamer stelt vast dat dit tijdig is gebeurd en dat verzoekster daarom ontvankelijk is.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters

3.1
Uit het wrakingsverzoek van 30 oktober 2023, de overhandigde pleitnota van de wrakingszitting van 9 november 2023 en hetgeen ter zitting is toegelicht, blijkt dat verzoekster het wrakingsverzoek baseert op – zakelijk weergegeven – de volgende gronden.
a. a) Ter zitting van 27 september 2023 is gesproken over het horen van een getuige en heeft de rechtbank beslist:
“De rechtbank zal de zaak verwijzen naar het kabinet van de rechter-commissaris teneinde het slachtoffer te laten horen, met inachtneming van alle daartoe bestemde beschermingsmaatregelen voor kwetsbare slachtoffers.”Echter, toen zij het proces verbaal van de zitting ontving, bleek daaruit dat de rechtbank (buiten de zitting) verder heeft beslist, namelijk:
“verwijst de zaak naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de toegewezen getuige te laten horen, waarbij het verhoor wordt uitgevoerd door gespecialiseerde rechercheurs in een studio die geschikt is voor het horen van getuigen met specific needs (gelet op de EU Slachtofferrichtlijn)”.Door het nemen van deze tweede beslissing wordt het verzoekster onmogelijk gemaakt om in deze aanleg zelf, direct en onmiddellijk de belangrijkste (kern)getuige te ondervragen. De beslissing is daarnaast niet gemotiveerd, terwijl verzoekster gewezen heeft op het feit dat de stelling van het openbaar ministerie dat de getuige iemand is met ‘special needs’ niet is onderbouwd en verzoekster gemotiveerd heeft betwist dat de getuige een verstandelijke beperkte en/of kwetsbare persoon is. Deze uitzonderlijke omstandigheden leveren een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechtbank jegens de verdachte enige vooringenomenheid koestert, althans dat de – zowel subjectief als objectief gerechtvaardigde – vrees bestaat dat de rechtbank niet onpartijdig is.
b) Ook andere omstandigheden wijzen daarop:
  • De verdediging heeft, in tegenstelling tot het OM, geen tweede termijn gekregen;
  • Aan het eind van de zitting werd de verdediging voorgehouden dat ‘echt maar 45 minuten voor de behandeling beschikbaar zou zijn’;
  • Op het op 19 oktober 2023 gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis hebben de rechters te kennen gegeven dit verzoek schriftelijk te zullen afdoen.
3.2
De rechters hebben niet berust in de wraking. In hun reactie van 2 november 2023 hebben zij het volgende aangevoerd.
a. a) De toewijzing van het verzoek van het OM om de getuige te horen met inachtneming van de EU-slachtofferrichtlijn en de EU-mensenhandelrichtlijn is in het dictum van het proces-verbaal slechts uitgewerkt. In het licht van het voorafgaande debat ter zitting was helder dat de bewoordingen ‘de daartoe bestemde beschermingsmaatregelen voor kwetsbare slachtoffers’ zagen op ‘een verhoor door gespecialiseerde rechercheurs in een studio die geschikt is voor het horen van getuigen met specific needs (gelet op de EU Slachtofferrichtlijn)’. De verduidelijking in het dictum is geen beslissing die afwijkt van de ter zitting uitgesproken beslissing. Er kan ook geen (schijn van) partijdigheid uit worden afgeleid.
b) De wet schrijft niet voor dat in geval van een schorsingsverzoek ter zitting een tweede termijn wordt geboden. Uit het proces verbaal is op te maken dat ook aan de officier van justitie geen tweede termijn is geboden. Dat de officier van justitie zich aan het begin van de zitting heeft uitgelaten over de stand van zaken van het onderzoek kan niet worden gezien als een spreektermijn in het kader van het schorsingsverzoek. Er is dan ook geen sprake van onderscheid tussen partijen en ook niet van (de schijn van) partijdigheid.
c) Normaal gesproken wordt 45 minuten gepland voor een pro forma-behandeling, inclusief spreektijd voor alle procesdeelnemers en raadkamertijd om te beslissen op verzoeken. Dit was ook zo in de zaak van verzoekster. De raadsman van verzoekster heeft ter zitting ruim twee uur spreektijd gebruikt om zijn schorsingsverzoek toe te lichten en hij is daarin niet beperkt. In dit geval was dat mogelijk, omdat het de laatste zaak van de zitting betrof. Op de volgende pro forma-zitting is ook 45 minuten gepland, maar deze zitting vindt plaats om 9:00 uur en er zijn nog andere zaken gepland na de zaak van verzoekster. Vanwege regievoering is verzoekster daarom erop gewezen dat de volgende keer 45 minuten beschikbaar zou zijn.
d) Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis was niet het eerste verzoek tot opheffing. Het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een verdachte bij een eerste verzoek moet worden gehoord, maar deze situatie doet zich dus niet voor. De schriftelijke afdoening is dus conform de wet en, in ieder geval binnen de rechtbank Oost-Brabant, staande praktijk. Ook uit deze beslissing kan daarom niet (de schijn van) partijdigheid worden afgeleid.

De beoordeling

4.1
Artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
4.2
Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoekster aan haar verzoek tot wraking geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid en/of partijdigheid van de rechters. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.
4.3
De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter die de zaak behandelt de regie voert. De rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en de wijze van behandeling. In deze regierol heeft de rechter een aanzienlijke vrijheid.
4.4
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen) beslissing in beginsel geen grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over een wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit stelsel verzet zich er eveneens tegen dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook niet indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is slechts anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. [1] De wrakingskamer is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is.
De beslissing over de wijze van horen van de getuige
5. De wrakingskamer volgt het standpunt van de rechters zoals hiervoor weergegeven onder 3.2 sub a. Van een tweede – andersluidende, buiten de zitting genomen – beslissing over (de wijze van) het horen van de getuige is geen sprake. Ter zitting is het verzoek van de verdediging om de getuige te horen, alsmede de instemming van het OM daarmee onder de voorwaarden zoals vermeld in de schriftelijke reactie van het OM op dat verzoek en zoals nader toegelicht door het OM ter zitting, besproken. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechtbank ter zitting het verzoek van de verdediging onder de door het OM gestelde voorwaarden, heeft ingewilligd. Het dictum zoals opgenomen in het proces-verbaal houdt enkel de (in het verzoek van het OM reeds geformuleerde) uitwerking van de ter zitting gegeven beslissing in. Van enige partijdigheid of (objectief gerechtvaardigde) schijn van partijdigheid blijkt daaruit niet.
De overige omstandigheden
6. De overige gestelde wrakingsgronden leiden, ook als deze in onderling verband en samenhang en in onderling verband en samenhang met het voorgaande worden beschouwd, niet tot de conclusie dat er sprake is van de (objectief gerechtvaardigde) schijn van vooringenomenheid van de rechters. Dit betreffen alle procedurele rechterlijke beslissingen die, zonder bijkomende bijzondere omstandigheden, geen grond voor wraking kunnen zijn. Van bijkomende bijzondere omstandigheden die de bedoelde beslissingen de (objectief gerechtvaardigde) schijn van partijdigheid van de rechters zouden kunnen geven, is niet gebleken. Dat verzoekster erop wordt gewezen dat voor een volgende zitting 45 minuten tijd is gereserveerd, betreft regievoering en behoort tot de normale gang van zaken. Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2023 blijkt niet dat het openbaar ministerie een tweede termijn heeft gekregen (die aan de verdediging zou zijn onthouden). Dat de officier van justitie aan het begin van de zitting de stand van zaken in het onderzoek weergeeft, maakt dat oordeel niet anders. De raadsman was voorafgaand aan de zitting op de hoogte van het standpunt van het OM inzake de wijze van horen van betrokkene, en had hierop kunnen reageren bij het voorlezen van de pleitnota. De beslissing op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis betreft ook een beslissing van de rechtbank die op zichzelf geen grond voor wraking oplevert en ten aanzien waarvan geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die zouden wijzen op vooringenomenheid van de rechters.

Conclusie

7. Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat de gestelde wrakingsgronden, afzonderlijk en in onderling verband en samenhang bezien, niet leiden tot het oordeel dat bij de rechters sprake is van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid. Ook in hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd, ziet de wrakingskamer geen grond voor een dergelijke conclusie. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De beslissing
De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. C. Wijsman, voorzitter, mr. J.H. Wiggers en
mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 20 november 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.