ECLI:NL:RBOBR:2023:5848
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en veroordeling voor ontucht met minderjarige dochter
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontucht met zijn twee minderjarige dochters in de periode tussen mei 2017 en juni 2020. Voor het eerste feit, ontucht met de dochter geboren in 2006, sprak de rechtbank verdachte vrij wegens onvoldoende wettig bewijs. De verklaring van het slachtoffer werd niet ondersteund door andere bewijsmiddelen, wat vereist is volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro.
Voor het tweede feit, ontucht met de dochter geboren in 2005, veroordeelde de rechtbank verdachte voor het incident van 1 juni 2020. Dit werd bewezen door de verklaring van het slachtoffer, ondersteund door verklaringen van moeder en zus, en digitaal bewijs dat de leugenachtigheid van verdachte aantoont over het wegbrengen van de telefoon van het slachtoffer. Voor de overige perioden werd verdachte partieel vrijgesproken wegens gebrek aan ondersteunend bewijs.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 90 dagen op, waarvan 87 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur, vervangbaar door 60 dagen hechtenis. De redelijke termijn was met negen maanden overschreden, wat de strafvermindering verklaart. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €1.000,- immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en de proceskosten.
De vorderingen van de benadeelde partij van het eerste feit werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. De rechtbank benadrukte het ernstige karakter van het bewezen feit en de afhankelijkheidspositie van het slachtoffer, en wees de strafmaat toe in het licht van de omstandigheden en het bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van ontucht met één dochter en veroordeeld voor ontucht met de andere dochter op één datum tot 90 dagen gevangenisstraf waarvan 87 voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uur.